Bryan Ferry grasduint door 40 jaar popmuziek

Genre
Pop
Gepubliceerd op


Wie Bryan Ferry zegt, zegt natuurlijk Roxy Music. De huidige tournee mag dan ter promotie van laatste soloalbum Avonmore (2014) zijn opgestart, de setlist is toch vooral samengesteld uit het goud van oud dat hij solo én met z’n vroegere band schreef. Ferry opent nog wel dapper met het titelnummer van z’n meest recente plaat, maar niet veel later wiegt Paradiso al zachtjes heen en weer op de betoverende nostalgie van klassieke zwijmelaars als Slave To Love (wat een magistraal intro blijft dat toch) en Don’t Stop The Dance. Sensuele slijpfunkliedjes om cheek to cheek op te schuifelen, ze voeren uiteraard de boventoon en worden sporadisch aangevuld met obscuurder materiaal waarin Ferry’s verleden als kunstacademie-student even komt bovendrijven. Beauty Queen (met die duistere gitaaruitbarsting tegen het eind) of, verderop in de set, het intrigerende rustpuntje In Every Dream Home A Heartache (met het massaal meegebrulde ‘Inflatable doll, l blew up your body, but you blew my mind’); ze vormen een welkom tegenwicht en zorgen dat de boel niet in al teveel vrijblijvendheid blijft steken.


Ferry is redelijk goed bij stem, maar klinkt ook broos en kwetsbaar als hij er in een liedje als Don’t Think Twice, It’s All Right vrijwel alleen voor staat. De Dylan-cover blijft natuurlijk wel moeiteloos overeind, mede dankzij de intonatie en dictie van de oude meester en diens feilloze mondharmonicaspel. Met een tienkoppige band achter ‘m hoeft Ferry de kar overigens niet zo vaak alleen te trekken. Het is geen Roxy Music nee, maar de begeleiding (retestrak en professioneel) telt genoeg talent en blikvangers om van begin tot eind te blijven boeien. Leadgitarist Jacob Quistgaard pakt geen nootje verkeert en laat zijn instrument net zo makkelijk janken als bedwelmend kabbelen. Aan de andere kant van het podium wordt vocale ondersteuning gegeven door een blije soulbrother en zijn al even enthousiaste, in glitter-outfit gehesen soulsister. Maar de enige echte ster die naast Ferry mag stralen is Jorja Chalmers. Een onweerstaanbare Bond-girl die soepeltjes tussen keyboard, klarinet en saxofoon schakelt, Paradiso met elk elegant gebracht solootje verder in katzwijm speelt en als een volleerd model over de bühne beweegt.


007 grasduint ondertussen vrolijk (de lach is nooit ver weg) door 40 jaar popgeschiedenis. In anderhalf uur tijd werkt de 71-jarige naar een apotheose die met liedjes als More Than This en Avalon wordt ingeleid. Dat die breekbare nummers hoorbaar het nodige van de band vragen mag de pret niet drukken. Paradiso is dan allang door z’n held verleid en hangt smachtend aan de lippen van een nog opvallend vitaal ogende Ferry. Die ontroert ons nog even met Lennon-liedje Jealous Guy, zweept de boel op via Virginia Plain en laat de zaal nasmeulen als dampende stamper Both Ends Burning is afgerond. De Carré-gangers hebben wat om naar uit te kijken.

Door Raymond Rotteveel / Fotografie: Charles Batenburg

Gezien: 29 september 2016, Paradiso, Amsterdam