Het laatste interview met Armand (R.I.P.)

Genre
Rock
Gepubliceerd op

SIMPLISTISCH VERBOND

In de vorige OOR braken Franz Ferdinand en Sparks zich nog het hoofd over succesvolle fusies in de rock & roll-wereld. Wel, hier hebben we er één. Ook al is het een wat plaatselijker bui, Armand en The Kik staan onder dezelfde paraplu met hun gezamenlijke debuutplaat, simpelweg Armand & The Kik geheten. OOR schoof aan bij Armand (echte naam: Herman van Loenhout, 1946) en Dave von Raven en Arjan Spies van The Kik, die het oeuvre van de legendarische protestzanger indoken en er een heel eigentijds album uit boetseerden. Ieder nummer heeft zo z’n verhaal, maar voordat we de tracklist stuk voor stuk afgaan komen we nog tot een bijzonder inzicht: er is één artiest die de afgelopen decennia in iedere editie van OOR heeft gestaan: Armand, trouw bij de advertentieblokjes in de agenda. ‘Ik denk dat ik de langste adverteerder ben, ja…’ Vervolgens steekt hij een al even lange joint aan en kunnen we van start.

DOOR WILLEM BEMBOOM / FOTOGRAFIE LISE-MARIE SCHWANDER


1. Comeback

Armand: ‘Zij [wijst naar Dave en Arjan] hebben de nummers gekozen. Veel hadden ze al in huis, ik heb ze nog een paar cd’s gestuurd en zelfs wat dingen live voorgespeeld. Wat hen het meeste aansprak, kwam op de plaat terecht.’

Dave: ‘De verdeling waarmee we begonnen is altijd heel duidelijk geweest: dit is Armand z’n album. Hij staat op de voorkant, wij op de achterkant. Wij hebben de nummers uitgekozen en zijn aan de slag gegaan met nieuwe arrangementen en daar heeft hij ons heel erg vrij in gelaten. Maar het zijn en blijven zíjn nummers, zíjn plaat. Comeback vonden wij een mooie opener. Logisch ook. De tekst is nog altijd actueel. Dat bleek voor heel veel van Armands nummers te gelden, ook al zijn ze soms veertig jaar oud.’

Armand: ‘Deze stond in 1974 al op een lp [Een Beetje Vriendelijkheid], maar wat ik daar zing gaat nog steeds op, ja. Het overkwam me zomaar / want voor carrière voel ik niks – die zin klopt ook vandaag nog als een bus. En ook het comebackverhaal achtervolgt me al m’n hele leven. Ik maakte mijn eerste single in 1965 en negen jaar later schreef ik dit nummer. In de tussentijd was er van alles gebeurd, ik had een paar hits en daarna weer een tijdje helemaal niets. Toen ik begin jaren zeventig weer wat meer platen begon te maken, waren de mensen me een beetje uit het oog verloren. Dan was ik een keer op de radio of tv en hoorde ik: joh, bezig met een comeback? Fuck nee man, ik speel nog elke week! Dat ligt aan jou, niet aan mij! Daarover heb ik, toen al, dit lied geschreven. Maar eigenlijk is er op dat vlak weinig veranderd.’

Wanneer werd Armand zich voor het eerst bewust van The Kik?

Armand: ‘Dat kwam door Lucky Fonz. Die zat me op te hemelen in De Wereld Draait Door. Ik had al een paar dingen met hem gedaan voor YouTube, hij heeft ook een foto van ons samen op z’n pinpas staan. Elke keer haalt ie die pas weer tevoorschijn... Op een dag gaat de telefoon: hij heeft met een vriend van hem, Dave van The Kik, een nummer van mij opgenomen en of ik daar ook op mee wilde doen. Nou, natuurlijk. Toen bleek dat wij elkaar al weleens waren tegengekomen toen Dave nog in The Madd speelde. Maar goed, zo kwam ik met een couplet van Want Er Is Niemand op de plaat van The Kik terecht. Ik zei nog: dit nummer heb ik 47 jaar geleden voor jullie geschreven, alleen weet ik dat nu pas.’

Dave: ‘Wij gingen vervolgens op theatertournee met de Veelste Grote Nederbiet Show en Armand was ook te gast bij die voorstellingen. Tijdens die tour hebben we besloten ook samen een plaat te gaan maken.’

The Kik zit heel erg in vroeger tijden, oude plaatjes verzamelen en alles. Dan ben je op tour met iemand die het niet alleen heeft meegemaakt, maar ook voor een aanzienlijk deel heeft gemáákt. Waar praat je over met z’n allen?

Arjan: ‘De man is een wandelende encyclopedie.’

Dave: ‘Ja echt, de verhalen blijven maar komen. En ook niet alleen over muziek, dat gaat van UFO’s tot Elvis tot Wally Tax, het kan alle kanten op. We zijn ook nog lang niet uitgepraat.’

Wat was jullie eerste aanraking met Armand?

Dave: ‘Het eerste nummer dat ik van hem hoorde was Want Er Is Niemand (En Nou Ik), wat we later dus ook samen hebben opgenomen voor onze debuutplaat. Die kende ik al voor Ben Ik Te Min en al die andere bekende hits. Ik ben altijd al iemand geweest die snel verder gaat graven als ie wat interessants tegenkomt, dus zodoende heb ik mij al gauw in het werk van Armand verdiept. Z’n muziek is overal nog wel te vinden, ik had het zo compleet eigenlijk. Er zitten zoveel goeie dingen tussen, dat is ook een van de redenen waarom we niet al te voor de hand liggende stukken op de plaat wilden zetten. Ben Ik Te Min, Blommenkinders… Mooi spul hoor, maar nu effe niet! Dit zijn echt ónze favorieten, zonder erbij na te denken of het ook een hit is geweest.’


2. Giglied

Armand: ‘Uit te spreken half Engels, half Nederlands. Gig-lied. Een splinternieuw nummer, ik heb het hen ook zelf voor moeten spelen, want het is nooit eerder opgenomen.’

Dave: ‘Zie het als een soort mission statement. Ik vind Comeback best een beladen nummer, het zegt heel veel, het is een echte ouverture. Vervolgens komt in Giglied de bekende mondharmonica, we gaan het busje in en rijden maar. Vanuit The Kik weten wij natuurlijk ook als geen ander hoe dat is.’

Armand: ‘On the road, man! Het is een echt muzikantenlied. Al die jongens die on the road zijn en almaar te horen krijgen wat een makkelijk leven ze wel niet hebben. Zo, jullie hebben het weer even snel verdiend, biertje dan maar? Hé flikker eens op, denk ik dan. Ik moet in Friesland spelen, vertrek om half vier ’s middags en ben ’s ochtends om half acht weer thuis, weet je wel.’

Arjan: ‘Dat gevoel zit ook in het lied zelf verscholen, los van de tekst: geen refrein, het begint, gaat maar door en komt uiteindelijk toch weer thuis.’

In die tekst horen we je zingen over Manus en Armand. Is het de echte Herman die daar zingt en z’n alter ego’s beschouwt?

Armand [zingt]: ‘Ik wàààààààs een schizofreen, nu bèèèèèn ik weer alleen… Maar inderdaad, dat is Herman over Armand. Ja, dat is het eigenlijk. Ik ben Herman, ik ben Manus en ik ben Armand. De eerste ben ik zelf, de tweede is als ik dope verkoop en de derde als ik muziek maak.’

Als je dope verkoopt moet je toch weten: don’t get high on your own supply…

Armand: ‘Ik hou het bij: support your local dealer. Hahaha!’


3. Veel Werelden

Dave: ‘Het origineel staat op Rue De La Paix [1973]. Wij hebben er nagenoeg een Kik-nummer van gemaakt.’

Armand: ‘Maar er is nog veel meer meegedaan. Als je van dat nummer de beginletters van de coupletregels achter elkaar zet, dan lees je over welke drug dat couplet gaat. Het eerste couplet was Romilar, een hoestsiroop die indertijd in België verkocht werd. Als je daar twee flessen van opdrinkt is het net alsof je op kussens loopt en – niet onbelangrijk – je werd er ook goed geil van. Het tweede couplet ging over hasjiesj en het derde was dan morfine. Alleen met morfine had ik niet zoveel, nog steeds niet trouwens. Dat kon ik nu dan eindelijk rechtzetten met een nieuw couplet en het spelt: lysergzuur. Van lyserginezuur diëthylamide 25, ofwel LSD. Dan klopt het ook meer, want trippen doe ik nog steeds graag.’

Wat steek jij zoal op van het werken met The Kik, Armand?

Armand: ‘Wat ik opsteek? Nou eh… [houdt z’n joint omhoog] Hahaha! Het roept vooral oude gevoelens op. Echte rock & roll-gevoelens. Ik heb altijd in bands gezeten en nu had ik dat bandidee weer. Ik voelde me echt lid van The Kik. Niet Armand én The Kik, maar Armand ín The Kik.’

Wat heb je, na al die decennia als muzikant, nu van deze samenwerking geleerd?

‘Hoe lekker het is om het eenvoudig te houden. Dat is een heel belangrijke les. Ik heb een mooie thuisstudio en ik speel heel veel instrumenten, eigenlijk alles behalve viool en dwarsfluit. Acht jaar geleden maakte ik daar een driedubbele lp. Ik had zoveel sporen, zoveel mogelijkheden. Veertig man orkest per liedje, moet je bedenken. Ik dacht: ik ga me daar toch even een stuk muziek neerzetten… Maar het was totaal geen rock & roll. Compleet overgearrangeerd. Dan kom je bij The Kik: straight, simpel, doch doeltreffend. En ontzettend rock & roll. Je hoort die nummers terug en er zit vuur in de muziek.’


4. Fuck De Blues

Dave: ‘Een anti-blues. In bluesvorm.’

Armand: ‘Een liedje uit de vroege jaren negentig. Het is toch wel een vette blues geworden, hè? Maar hoe lekker ze ‘m ook spelen, het verandert niks aan wat ik van blues vind. Het bluesgevoel is iets belachelijks, in deze maatschappij waarin wij het zo goed hebben. Het is gewoon… zeikmuziek in feite. Nou weet ik best dat driekwart van mijn liedjes ook geschreven is op eenzelfde soort schema, maar het gaat vooral om het idee. Dat bluesgevoel, altijd down en moeilijk. Gehandicapt, dat is het. Ha!’

Arjan: ‘Hoorden wij deze niet voor het eerst op dat festival in Texel?’

Dave: ‘Volgens mij wel ja. Daar speelden Armand en The Kik los van elkaar. Wij gingen bij zijn optreden kijken, wat erg goed was. Je had er toen ook een goeie band bij, trouwens.’

Armand: ‘Was dat met de Happy Tunes? Ja, dat is zeker een goede band!’

Arjan: ‘Te gek. Fuck De Blues kwam voorbij en toen ie over kleurenblinde kutmuziek begon waren we helemaal verkocht.’

Dave: ‘Het publiek reageerde er ook heel goed op. Dan vraagt Armand eerst nog: zijn er nog bluesliefhebbers in de zaal? Jaaa, klinkt het dan van alle kanten. Want in deze wereld is iedereen natuurlijk zogenaamd een bluesliefhebber. Wijs mij eens iemand aan die nee durft te zeggen als je vraagt of ie van blues houdt. Goed, die mensen werden dus door Armand geacht om alleen naar de muziek te luisteren, haha!’

Arjan: ‘Van de hele lijst met nummers die Armand ons had doorgegeven stond deze er juist niet tussen, terwijl wij deze al in ons achterhoofd hadden na die gig op Texel. Op een dag in de studio kwam ie weer naar boven en gingen we er wat mee jammen. Armand was er nog niet, en toen hij binnen kwam lopen hebben we direct de microfoon voor z’n neus gezet. Hij wist helemaal niet dat we ermee bezig zouden gaan. Je hoort ook heel erg dat we er lol in hebben, omdat Armand op de opname ook in de lach schiet. Zo was de sfeer bij alle dingen die we opnamen, al was dit daarbovenop een van de leukste om te doen.’

Armand: ‘We zijn iets ondeugends aan het doen of zo. Je moest eens weten wat voor reacties ik hier soms op krijg van die zogenaamde bluesliefhebbers. Of collega-bluesmuzikanten. Legendarisch, soms. Ik was bij een avond waar Wally Tax ook speelde met z’n big band. Het was net de Pasadena Roof Orchestra, dan had Wally z’n partij gezongen, ging het orkest verder en zat ie op een stoeltje te wachten tot hij weer mocht. Godverdomme, dat was goed. Maar daar speelde ook Livin’ Blues en die waren pissig, jongen! Nondeju, te gek man!’


5. Een Beetje Vriendelijkheid

Armand: ‘Hier krijg ik de rillingen van, als ik ‘m nu terughoor. Die tweede stemmen van hen geven het zo’n power. Het komt uit de tijd van de symfonische rock, maar nu heb ik ook echt het idee dat ik een symfonische rocker heb gemaakt. Lekker van die breaks erin. Een Belg zou zeggen: daar ben ik fier op.’

In 1974 zong je al in dit nummer: De zangers zingen nog altijd dezelfde stomme nummers om de massa koest te houden.

Armand: ‘Ook op dat vlak is er sindsdien weinig veranderd, vrees ik.’

Wat heb je in die vier decennia wel zien veranderen in de Nederlandse muziek?

Armand: ‘Nou, het onderscheid tussen smartlappen en een beetje geëngageerde muziek is zo langzamerhand aan het vervagen. Het begint in elkaar over te lopen. Ik zat in zo’n piratenhol ergens in Drenthe, vol met van die Radio Hollandia-figuren, maar als Laat Me voorbijkomt zingen ze dat ook allemaal mee. Ik heb ‘m persoonlijk goed gekend en ik dacht bij mezelf: Ramses, jongen, dit had je eens moeten meemaken! Er zijn allemaal domme lui, rechtse ballen, mensen die niets interesseert, en die worden nu ineens, eindelijk, ook geraakt door dit soort nummers. Dan denk ik: er is wel iets aan de hand. Het is niet alleen meer het geëngageerde segment dat het gevoel in de muziek oppikt. Overal begint het te gisten. Dat is in principe een hoopvolle ontwikkeling.’


6. Gemeengoed

Armand: ‘Deze stond op die driedubbele lp van acht jaar geleden. Het is eigenlijk een nummer van de Amerikaanse folkzanger David Rovics, origineel op één gitaar, waar ik dus al een arrangement bij had gemaakt. Ik besloot er ook maar een Nederlandse vertaling aan te wagen. Als ik ‘m in de zaal speel, zeg ik er altijd maar even bij: zo zie je maar dat er niet alleen kut-Amerikanen zijn. Want zo is het toch, hè? David is een goede vriend van me. En the man that Bush wanted the most in Guantanamo Bay, hij is altijd heel erg tegen de oorlogsindustrie en het establishment geweest. Fantastisch mens. Dat nummer speelde hij voor het eerst toen we samen in Burgers in Eindhoven optraden en hij kende de tekst nog niet uit z’n kop. Een paar dagen later, in de ACU in Utrecht, kon ie ‘m dan helemaal doorzingen. Toen dacht ik ook: ja, dit is het nummer dat alles omvat, dat alles zegt over wat er vandaag de dag aan de hand is in de wereld. En hoe de mensen in feite ook voor de gek gehouden worden.’

Het is een aanklacht tegen de jeugd van toen die inmiddels volwassen is en de macht heeft: voor jullie bewerkten wij het land en dempten het moeras…

‘En nu maken ze er net zo’n grote zooi van als diegenen waar wij ons destijds al tegen keerden. For you we spilled our blood and fought so many pointless wars… Zo ontieglijk mooi gezegd.’

Dave: ‘En vergeet niet hoe mooi het ook vertaald is.’

Armand: ‘Daar heb ik ook wel op zitten blokken, hoor.’

Leuk dat een eigentijds woord als glasvezel net zo lekker giftig klinkt als die oudere dingen.

Armand: ‘The phone lines, in het Engels. Glasvezel bekt inderdaad lekker in een liedje.’

Dave: ‘Ik zit zelf erg in het straatje van hertalen en vertalen en daarom vind ik dit nummer een hoogtepunt. Smaakvol, heel goed gelukt. En een heel raak nummer bovendien. Elke keer als ik dat hoor krijg ik haast tranen in m’n ogen. Tjonge, hebben wij dat gemaakt, met z’n allen?’


7. Waar Is Je Glimlach

Armand begint te zingen: ‘I want to find you / I want to penetrate in your head / Please let me find you / Your life is just existence and existence means you’re dead. Dat was het origineel, die had ik in het Engels geschreven. De muziek lag in de vroege jaren zeventig op een lager pitje en ik dealde op een Amerikaanse basis in Duitsland. Toen zong ik altijd wel voor die yanken, in het Engels. Dat ik ooit in het Nederlands ben beland, was puur toeval, want van origine waren al mijn teksten in het Engels. En nu kon ik daar dus naar terug, fijn Engelse liedjes schrijven en die yanken vonden het prima, ik werd door de mensen nog een beetje begrepen ook. Goed, ik dus elke keer op en neer naar Duitsland met dope en op een dag kwam ik Bertus Borgers tegen. Hij zei: wat doe je nou? Ik zeg: ik verkoop hasj op een Amerikaanse basis… en I sound just like Buffalo Springfield volgens hen. Nou, zei Bertus, dan ben je een mooie lul. Jij kunt het in het Nederlands, dan moet je het ook zo doen. Wat je op je zolderkamer doet moet je zelf weten, maar jij moet terug naar het Nederlands. Hij meende het echt en van Bertus Borgers wilde ik dat wel aannemen. Van de latere lp’s, zoals Rue De La Paix en Een Beetje Vriendelijkheid, zijn veel nummers dus oorspronkelijk in het Engels geschreven, waaronder deze.’


8. Een Mens Is Wat Ie Geeft

Armand: ‘Opgedoken uit mijn archief en naar de jongens toegestuurd. Ik heb vijftig cd’s vol nummers en daar is misschien een kwart ooit van uitgekomen, de rest niet. Ik heb de titel van Hassan. Ik zat in de coffeeshop met hem te praten en hij zei: een mens is wat ie geeft. Bleek een uitspraak uit de Koran, ik dacht: die pik ik. Het klopt ook, ik hoef het alleen maar aan te kleden. Niet veel later zat ik in de trein op een spoorbrug, met de autoweg ernaast. Daar reed een vrachtwagen van Uniekaas en ik bedacht: Uniekaas rijdt parallel op twee gekoppelde schoenendozen / het land is lijkwit van de vrieskou en op de plassen schaatst het grut / het ijs is sinds een week of wat niet langer van den broze / maar de ijzers rijden tegen de wijzers, want morgen, zeggen ze, regent het.’

Dave: ‘Mooi hè? Dat heeft ongetwijfeld een naam, zo’n soort tekstverloop…’

Armand: ‘Ja, dat heet: het kan nét.’

Dave: ‘Vind ik juist helemaal niet, het kan juist prima, het is heel ongewoon, heel goed gevonden. Het is wat je zo zegt: regent ut. Niet: dan gaat het regenen. Regent ut, wat weer rijmt op grut. Als je het ziet staan, dan rijmt het helemaal niet en zo kan het toch, ook al staat het er niet. Dat vind ik heel tof.’

De muziek is hier een stuk zwaarder dan we van The Kik gewend zijn.

Arjan: ‘Het was eerst nog zwaarder. Gitaren lekker laag gestemd en zo.’

Armand: ‘Rock & roll wil never die!’

Dave: ‘We wilden een beetje het effect bereiken wat Status Quo doet in Pictures Of Matchstick Men. Maar dan wel met een fuzzbas, dat het een knalnummer zou worden. Met een Koelewijn-achtige blazerssectie erbij. Het is heel sixties, een beetje freakbeat-achtig.’

Arjan: ‘Met een moderne twist. Al die dingen bij elkaar, zoals ook veel obscure dingen uit de sixties heel modern kunnen klinken.’

Dave: ‘Precies, dat heeft de toplaag nooit gehaald, want het werd door de BBC in de ban gedaan. Maar er gebeurden toen al heel erg vooruitstrevende dingen in de muziek. Alleen werd het niet gedraaid; het was herrie, vond men toen.’


9. Iemand

Armand: ‘Dat komt van een cartoon van Crumb. Het komt in en gaat uit de mode / maar ik hou nog steeds van iedereen. Op zijn tekening ligt de vrouw op bed en de man zit op de rand. Zij vraagt aan hem: Do you love me? En hij zegt: No, I love everybody.’

Strips van Crumb, vrachtwagens van Uniekaas… De onderwerpen liggen overal om je heen. Schrijf je tegenwoordig nog net zo veel als vroeger?

Armand: ‘De inspiratie ligt inderdaad nog steeds overal, dus ik kan nog minstens een keer in de week een nieuw nummer schrijven. Ik zie genoeg, ik vogel ondertussen ook nog van alles uit over allerlei zaken. De teksten en liedjes dienen zich nog met evenveel gemak aan als altijd.’


10. Snelle Jongens

Armand: ‘We hadden die single gemaakt voor Record Store Day. Ik dacht dat het allang uit de tijd was, die tekst komt van begin jaren tachtig. Néé, verzekerde Dave, ook dat is nog steeds actueel. Diezelfde dag lees ik in de Panorama dat er bij Vlissingen 1200 kilo coke uit zee is gevist. Maar wat er niet bij stond was dat de overheid naar eigen zeggen ongeveer vijf procent onderschept, wat dus wil zeggen dat er op dat moment nog 24 ton cocaïne het land binnenkwam en ertussendoor is geglipt.’

Dave: ‘Ja, dan is het dus nog steeds actueel.’

Armand: ‘Ik ben het eens gaan uitrekenen: 24 duizend kilo coke, dat zijn 506 miljard, 664 miljoen snuifjes. En als je die lijntjes allemaal achter elkaar legt, dan kan je naar Mars en weer terug. Ik hou van rekenen. Als ik kentekens zie op auto’s bijvoorbeeld. En ik heb alle klokken in m’n auto en in huis op een andere tijd staan. Vind ik fijn, kan ik de hele tijd rekenen. Ook als ik onderweg ben: ik zit nu hier en rij zo hard, hoe laat ben ik dan daar en daar… Ik kom nog uit een tijd zonder calculators, hè? Alles uit m’n kop doen. Het is een soort verslaving.

Hoe zit je zelf eigenlijk in de coke tegenwoordig?

Armand: ‘Helemaal niet meer. Ik snoof regelmatig. In de seventies kwam de coke het land in en werd het vermengd met speed omdat er te weinig was. Iedereen zat met zulke ogen, ik was eigenlijk net van de speed afgekickt en daar zat ik dus helemaal niet op te wachten. Op de verjaardag van mijn tweede vrouw in 1979 ben ik er toch weer mee begonnen, van snuiven kwam dealen en het duurde tot 1998 eerdat ik er vanaf was, 6 september om precies te zijn. Dat was namelijk de dag dat ik mijn toekomstige derde vrouw in Frankrijk ging ophalen, we gingen al een tijd met elkaar en ze kwam toen bij mij wonen. Toen heb ik de hele rotzooi de deur uitgedaan. Het was genoeg geweest. Ik ben iemand die geen maat kan houden, als ik ga dan ga ik godverdomme all the way. Met wat dan ook. Alleen met alcohol, met coke, met speed – dat gaat niet eindeloos door. Als je genoeg hasjiesj gerookt hebt, krijg je je hand ook niet meer uit de asbak. Bij die coke was het voordeel: ik dronk niet. De meeste jongens gebruiken dat om de hele avond door te kunnen zuipen en dat deed ik dus niet. Vroeger las je in de krant: overdosis. Nu is dat: hartaanval. Maar het is hetzelfde, ze snuiven zich kapot, weet je wel. Dat heb ik met veel leeftijdsgenoten en later ook veel mensen jonger dan ik zien gebeuren. Coke is rotzooi, hè? Puur vergif. Dat waarschuwt niet. Dan ga je van: tadatadaa! Tada… En boem, ’t is gebeurd. In één keer weg.’


11. Waterfiets

Armand: ‘De Waterfiets heb ik geschreven op speed, ik kondig het ook aan in de zalen: dit is het lied dat ik schreef op speed, let op de dubbele bodems. Die speed ging toch voorbij, ik las in de Teenbeat dat ik een gezicht had dat eruit zag als grof bruinbrood. Hendrix ging, Janis ging, ik denk: als jij zo doorgaat met elk weekend twintig optredens en tweeduizend kilometer rijden, dan ga jij er zo achteraan. Ik stond op een zondagochtend om half zes in Naaldwijk te wachten tot de Pax Christi-tocht uit de duinen kwam. En die stonden mij daar dan met een kommetje koffie een half uur lang uit te schelden. En ik dus flink aan de speed, ik reed daarna met een pak geld in de witte Cadillac naar huis en dacht: is dit het nou? Nee, dit is het ook niet. En nou is het afgelopen met die troep. Dat was dus nog voor die cokegolf van zonet. En daarna kwam dus het blowen.’


12. Ik Heb Het Gevonden

‘Dat is ’73, op Rue De La Paix, en ook daar staat ie na Waterfiets. Van de speed naar de waterpijp, een goede stap. Eigenlijk was ik toen al best tevreden met hoe alles met mij liep. Ik had een vaste groep fans, die altijd met me mee is gegroeid en als zij er al die jaren niet waren geweest, had ik nu al lang niet meer gespeeld. Zij waren er namelijk ook altijd als niemand anders aan mij dacht. Ik vond – en vind – het fijn om voor die mensen te spelen en eigenlijk is dat de basis van alles. De diehards, er is misschien nog tien procent van de originele groep over, dat zijn de veteranen. De rest hadden m’n kinderen kunnen zijn, haha! Maar dankzij hen ben ik al meer dan veertig jaar tevreden. En goeie blow, hè? Dat helpt ook een handje.’

Dave en Arjan, hebben jullie de harde kern al over de vloer gehad?

Arjan: ‘Jazeker, in Gouda en Nieuwegein. We vonden het erg gezellig en volgens mij vonden zij het ook te gek. We werden in ieder geval niet weggejouwd of zo.’

Armand: ‘Dat zouden ze ook nooit doen. Al geven ze soms wel de maat aan voor de rest van het publiek. Die gasten kennen alles en soms zingen ze zo hard mee dat ik stop met spelen en vanaf het podium luister hoe zij het nummer afmaken. Wat ik dan doe: expres een nummer uit het archief halen dat ze nog niet kennen. Dat zal ze leren om godverdomme over me heen te zingen, haha! In Zeeland is het helemaal te gek. Daar heb je in Arnemuiden de vissers, dat is rauw volk. Als ik ergens anders speel dan in Arnemuiden, staat de horecabaas aan de grond genageld als ie die groep binnen ziet komen. Dan zeg ik: Hé, relax, ik ben de meester! Zo noemen ze mij ook. Ik speelde daar een keer met oud en nieuw. Het is daar gewoonte om met oud en nieuw de ruiten uit het politiebureau te gooien. De politie had gevraagd wat ze nou moesten doen om dat te laten ophouden. Nou, zeiden de Arnemuiders, vraag maar of Armand wil komen. Dus ik werd betaald door de politie om te spelen en zo de ruiten heel te houden. Ik fungeer daar ook als de grote verzoener. Soms speel ik in Westkapelle en die kunnen niet door één deur met Arnemuiden. Maar als ik dan in Westkapelle op het podium sta, en Arnemuiden is er ook, en dan De Klok Van Arnemuiden inzet, dan zingen beide kanten evengoed mee. Is er even niets meer aan de hand tussen die twee.’

Als dat nou eens in de hele wereld kon…

Armand: ‘Ik ben bezig. Gaat nog niet zo vlug, maar het komt goed.’


13. De Weg Naar Isfahan

Armand: ‘In februari 2013 ging ik het ziekenhuis in. Ik bleek al een half jaar met een verwaarloosde longontsteking rond te lopen. Ben er zelfs nog mee naar Curacao geweest om op te treden. Maar ik merkte dat ik heel snel heel moe werd. Dood en doodmoe. Dat je amper kunt blijven staan. Ik maakte een reportage voor Omroep Brabant over het Brabantse verenigingsleven, van Bonsaiboompjes tot pijprokers. Toen zeiden ze: heb je wel eens parachute gesprongen? Nou nee. En of ik dat ook durfde? Als ik er nog voor betaald krijg ook, dan wil ik de sprong wel wagen. Nou, dus ik ging de lucht in. Naar drie kilometer, min veertien graden, 35 seconden vrije val met 220 kilometer per uur, dat ding breekt open. Zo gezegd zo gedaan, de reportage werd gemaakt. De volgende dag voelde ik me niet lekker en even later lag ik in het ziekenhuis met vijf liter zuurstof in het uur. De arts zei: met een dag of acht mag je d’r weer uit. Maar de volgende ochtend stond ie weer aan het bed: de antibiotica slaat niet aan. De volgende dag weer niet, en de dag daarop weer niet. Toen begon ik ‘m wel te knijpen en ’s nachts heb ik die tekst geschreven. De vierde ochtend was er ineens goed nieuws: de kuur slaat aan. Ik hoorde later van een arts: goh, vijf liter zuurstof? Meestal geven we daar dan morfine bij, dan kunnen ze rustig doodgaan. Zo ver was ik kennelijk heen.’

Wat is de betekenis van Isfahan?

Armand: ‘Een Perzisch sprookje. De dood is in Teheran en die zegt: ik zag vandaag in Teheran wie ik vanavond moet halen in Isfahan. Met andere woorden: je ontloopt de dood nooit.’

En waarheen leidt de weg van Armand & The Kik?

Dave: ‘Een tour, clubs, festivals. Niet heel veel, we willen het wel een beetje exclusief houden. We moeten het niet doodspelen. Dus pikken we de dingen die we zelf leuk vinden ertussenuit en maken er een mooie zomer van.’

Armand: ‘If you don’t have fun they have already won.’