Interview: de wereld van Wende

Genre
Pop
Gepubliceerd op

Als er iemand geen one trick pony is, is het Wende Snijders wel. De in Engeland geboren Nederlandse zangeres heeft bijna alle uithoeken van de wereld én de muziekwereld al gezien. Na haar studie aan de Amsterdamse Academie voor Kleinkunst maakte ze furore met het zingen van Franse chansons, maar stapte later over naar popmuziek. Dit jaar toert ze met het Amsterdam Sinfonietta door Nederland en werkt ze aan de opvolger van haar in 2013 verschenen vijfde album Last Resistance. In de bovenkamer van de Utrechtse Ekko vertelt Wende over haar muzikale roots, Amsterdam en David Bowie.

‘Klassieke muziek is eigenlijk mijn wortel. Dat is waar ik ooit mee begonnen ben. Met het Amsterdam Sinfonietta heb ik in 2010 al eens een tournee gedaan. Dat was zo tof dat we hebben gezegd: dat gaan we nog een keer doen. En toen kwam er dit jaar de kans waarbij we allebei konden. Wat ik supercool vind aan dit orkest, is dat ‘t geen dirigent heeft. Daardoor zijn ze bijna een band. Ik zie veel popshows en dan zie je vaak een band met daarachter een paar mensen die wat lijntjes mee mogen strijken. Mijn hart breekt dan altijd, want ik weet dat zij al vanaf heel jonge leeftijd daarmee bezig zijn. Toen dacht ik: ik kan ook hén de band maken.’

‘De tour werd zo succesvol dat we gevraagd werden voor een extra show in Amsterdam, maar ik wilde die keer dan naar Paradiso in plaats van het Concertgebouw. Dat is voor een jonger publiek laagdrempeliger en goedkoper. Ik denk dat het goed is om op deze manier kennis te maken met de rijkdom van klassieke muziek. Ik vind het ook leuk als die verschillende groepen elkaar ontmoeten. Het geeft botsingen in de eigen identiteit. Ik heb een fase gehad waarin ik dacht dat ik moest kiezen voor chanson, Engels, Duits, Nederlands, theater of klassiek. Maar het zit gewoon in mijn karakter dat ik het allemaal tof vind en het bij elkaar wil brengen. Op mijn nieuwe album zal ik dat zeker proberen en daar heeft deze samenwerking met het Sinfonietta ook mee te maken.’

‘Ik woon al ruim achttien jaar in Amsterdam. Ik raak geïnspireerd door in de stad te lopen en daar rond te kijken. De gesprekken die ik voer, de verhalen die ik hoor, de mensen die er leven en hoe ze overleven. Maar ook het gevoel van identiteit, van verbinding en van thuis zijn. Ik heb als kind al veel gereisd – ik heb tot mijn negende als een expatkind geleefd in verschillende landen. Later ging ik naar Amsterdam en alleen al daar ben ik zo’n vijftien keer verhuisd. Wat is dan eigenlijk ‘thuis’? Misschien is het iets waarbij je krijgt waar je naar op zoek bent en voor mij is dat Amsterdam. Waar ik bij mijn vorige albums veel weg ben gegaan, ben ik nu juist veel binnen Amsterdam aan het reizen. Ik ga binnenkort naar Berlijn, Londen, Tokio en New York, maar eigenlijk spitst het zich toe op Amsterdam.’

‘Een album maken is voor mij meer een nieuw project waar ik aan begin. Ik ben niet iemand die aan de lopende band allemaal liedjes uit de mouw schudt, maar ik wil wel in een soort creatieve bubbel zitten. Schilderen is voor mij een manier om in die bubbel te blijven. Er ontstaat dan een soort dialoog tussen het schilderen en de vertaling naar muziek. Die twee dingen vullen elkaar heel erg aan, hoewel ik geen enkele pretentie heb over mijn schilderwerk. Dat is voor mij puur een instrument om creatief te blijven.’

‘Ik ben ook altijd op zoek naar muzikanten, regisseurs, schilders en architecten die een heel eigen expressievorm zoeken en delen. Bijvoorbeeld Federico Fellini, David Lynch, Lucian Freud, Grace Jones en David Bowie. Ik vind het mooi dat Bowie zichzelf een collageartiest noemt. Niet alleen binnen de muziek, maar ook in mode, film en theater. Dat vind ik een bevrijding. Ik werd gevraagd om te spelen op de opening van zijn tentoonstelling in Groningen. Geen tribute, maar gewoon een programma dat ik had samengesteld. Voor mij was dat ook echt de ontdekking van David Bowie. Veel te laat – een maand later was hij overleden. Dat was een beetje gek. Ik was er echt verdrietig van, zo fucking raar! Maar zijn laatste album vind ik echt wonderschoon. Het is zo chique gedaan. Z’n eigen requiem, zoals elke componist dat doet. Dan begrijp je echt heel erg goed hoe het is om artiest te zijn.’

Door Jessica de Rooij / foto Sandor Lubbe