Montage Of Happ: Calvin Johnson in Nederland

Genre
Indie
Gepubliceerd op

Als punk staat voor do it yourself, tegen de keer in, fuck de luisteraar en een bandje beginnen zonder dat je ook maar één noot kunt spelen, dan was Beat Happening, opgericht in 1983 in Olympia, Washington, de ultieme punkband. Hun naïviteit, primitieve instrumentbeheersing, kinderlijke teksten en trots geëtaleerde toondoofheid (zo vals als zij zongen!) bezorgden de band een imago van absolute amateurs – iets wat ze zelf gretig cultiveerden. Als Calvin Johnson, Heather Lewis en Bret Lunsford ergens tegen rebelleerden, dan was het wel de corporate rockwereld. De alle spontaniteit en menselijke emotie killende professionaliteit ervan. Het machoïsme. De excessen (Calvin was rabiaat straight edge). De heldenverering. De ratrace. Alles wat niet puur en klein was. Beat Happening koesterde de menselijke maat. Ze schreven lievige liedjes over lieve mensen die worstelen met hun gevoelens en het leven, twijfelaars, gebroken harten, meisjes die onbereikbaar blijven, jongens die huilen. Twee akkoorden, jengelend als een slechte Velvets-jam, met een dikke laag reverb als verhullende deken. Een simpele backbeat, rammelend als een omgevallen vuilnisemmer. Langer dan twee minuten droegen de liedjes meestal niet. Het was anti-rock & roll met een warm kloppend hart.

De drie, opvallend onopvallend, wisselden daarbij voortdurend van instrument, zonder dat een van hen ook maar ergens aanleg voor had. Heather (zeurderig en vlak) en Calvin (idioot diepe en monotone bariton, die een basgitaar overbodig maakte) verdeelden de valse zangpartijen; Bret was te verlegen en stond vaak weggedoken in een hoekje op het podium te spelen. Zo toerden ze begin jaren tachtig met boze hardcorebands als Black Flag en Minor Threat, en later ook met Fugazi, met wie ze veel principes deelden. Ze werden gehaat door het publiek, Calvin zelfs eens door Henry Rollins gehackeld en bij zijn ballen gepakt terwijl hij stond te zingen. En dan doorgaan. Tien jaar lang. Terwijl de wereld niet wil luisteren. Dan ben je dus punk.

Vijf albums maakte Beat Happening tussen 1985 en 1992. Ten tijde van Dreamy (1991) waren ze uitgegroeid tot een populaire indieband en golden ze als een van de grondleggers van de lo-fi-beweging. Ook hun invloed op de riotgrrl scene van Olympia, Washington en de twee pop is groot. Vaak wordt Kurt Cobain erbij gehaald om het belang van de groep te onderstrepen. Kurt had één tatoeage: het logo van K Records, het label dat Johnson in 1982 in Olympia, waar Kurt destijds woonde, had opgericht en tot op de dag van vandaag runt. De punk-ethiek van K stond niet alleen op zijn onderarm gebrand, maar ook in zijn getroebleerde ziel.

Een goede introductie tot Beat Happening vormen de twee verzamelaars Music To Climb The Apple Tree By (2003) en het binnenkort te verschijnen Look Around (20 november bij Domino Records, nu al integraal te luisteren op Spotify). Alle albums, cassettes en singles werden in 2002 verzameld in de carrière overspannende boxset Crashing Through. Twee jaar eerder was de single Angel Gone het laatste teken van de leven de groep, die officieel nooit ontbonden is. Na het laatste album You Turn Me On (waarop ze zowaar een professionele ambitie aan de dag legden en hun kale geluid voorzichtig inruilden voor heuse multitrackopnames) maakte Johnson drie albums met The Halo Benders, een groep waarin ook Built To Spills Doug Martsch diende (beste album: God Don’t Make No Junk uit 1994), vijf albums met punkfunk/dubband Dub Narcotic Sound System (waaronder één met The Jon Spencer Blues Explosion) en ook nog eens drie soloalbums: What Was Me (2002), Before The Dream Faded (2005) en Calvin Johnson & The Sons Of Soil (2007), allemaal uitgebracht op zijn eigen K Records.

Ik ben fan en heb ze allemaal, al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat die latere platen na één keer luisteren in de kast verdwenen en nooit meer tevoorschijn kwamen. Het belang van Calvin Johnson zit ‘m de laatste twintig jaar vooral in de standvastigheid van K Records en de erfenis van Beat Happening. Met de jaren werd hij een cultheld; een persoonlijke favoriet was hij altijd al. Nu, acht jaar na zijn laatste soloalbum, komt hij ineens een akoestisch solotourtje doen. Hij speelt alleen op plekken waar normaliter geen bands spelen, zo luidde de uitdrukkelijke voorwaarde voor zijn komst. Benieuwd hoeveel mensen hem nog kennen.

Ik heb Calvin ooit geïnterviewd en er nooit wat mee gedaan – story of his life. Het cassettebandje vond ik terug in een doos op zolder. In mijn herinnering was het een heel stroef en ongemakkelijk gesprek, maar dat blijkt bij herbeluistering best mee te vallen. Johnson is die dag, 5 maart 1997, op werkbezoek bij platenmaatschappij Konkurrent in Amsterdam. Konkurrent distribueert de platen van K Records in Nederland en België. Een van de platen die hij in zijn koffer heeft meegenomen is de tweede EP The Fruit That Ate Itself van Modest Mouse, een van die bands voor wie de samenwerking met K Records een springplank naar het grote succes zou blijken te zijn (zoals ook Beck, Built To Spill en Melvins profiteerden). ‘Ik ken Isaac [Brock] van Modest Mouse al een hele tijd’, vertelde Calvin destijds enthousiast. ‘Sinds hij vijftien, zestien is, nu al zeven jaar. Ik had al verschillende malen met hem opgenomen in mijn Dub Narcotic-studio voordat hij bij Up Records debuteerde. Ik werk met een heleboel bands, maar nooit exclusief. Ik zie K Records als een platform waar bevriende muzikanten gebruik van kunnen maken, ik vraag niet of ze exclusief bij mij tekenen. Vroeger was je als band overgeleverd aan een label als Homestead of Matador, met alle bullshit vandien.’

K Records wil de dingen anders doen, legde hij uit. ‘Toen we begonnen was het: als we vijftig cassettes verkopen is dat geweldig. Er zijn vijftig mensen die willen horen wat wij hebben gedaan, wow! Te gek! Die gedachte hebben we altijd vastgehouden. Of we nu twee- of drieduizend platen verkopen, dat maakt me niet uit. We documenteren het werk van deze undergroundbeweging en maken het beschikbaar voor de mensen. Als ze het mooi vinden, fijn. Als ze het niet mooi vinden, ook goed. Het is niet zo dat we een product op de markt brengen en zoveel mogelijk consumenten proberen te bereiken. Ik zie onszelf als een label in de traditie van Folkways [van de naoorlogse folkarchivaris Moses Asch], we documenteren deze tijd.’

En dat doet K Records dan al 15 en inmiddels dus nu al 33 jaar. Op de vraag of Beat Happening nog actief is, antwoordde hij destijds cryptisch: ‘Well, we might be. I haven’t really discussed it. I haven’t heard that we weren’t going. So I just assume that we are.’ Om eraan toe te voegen dat hij zeker niet zijn veto zou uitspreken over het idee om een nieuwe plaat op te nemen. Hoe het met de anderen was? Bret Lunsford stond op het punt de eerste plaat met zijn nieuwe band D+ uit te brengen, opgenomen in Calvins studio. Tot 2008 zouden er nog zes volgen. Heather Lewis woonde inmiddels in Seattle, vertelde Calvin, en – vreugdesprongetje in zijn stem – ging over twee weken trouwen. ‘We proberen zoveel mogelijk contact te houden, maar we hebben alledrie ons eigen leven, in verschillende steden, dus het is niet gemakkelijk.’ Vindt hij dat ze de erkenning hebben gekregen die ze verdienen? ‘Zeker niet toen we actief waren! Ik dacht altijd: wat is er mis? Deze platen zijn geweldig! Begrijpt niemand hoe goed ze zijn?! We vonden oprecht dat we de beste platen maakten die er op dat moment waren… en niemand luisterde ernaar!’ Later werd het beter, constateerde hij zuinig.

Ik parafraseerde quasi-lollig de dan net actuele single van Pavement, Stereo. Ik vroeg of Calvin altijd met zo’n lage stem had gezongen en dat ik me voor onze ontmoeting afvroeg of hij ook met zo’n diepe bromstem zou praten (‘What about the voice of Geddy Lee / How did it get so high? / I wonder if he speaks like an ordinary guy?’ zingt Stephen Malkmus in Stereo). De grap ging geheel aan Calvin verloren. Hij kende Rush niet, laat staan Geddy Lee. En een lachebekje was hij al evenmin. Hij ging er doodserieus op in.

‘Toen we een paar maanden geleden in LA speelden, was er een jongen bij onze show, David Arnson, hij speelt in de band The Insect Surfers. Toen ik op de middelbare school zat, was ik bevriend met zijn jongere broer en zus. Toen had hij die surfband ook al, met totaal andere mensen. Ik hing vaak bij hen thuis rond, de band oefende in de kelder. Dus ik ken hem al járen. Hij kwam naar de show en zocht me na afloop op in de kleedkamer. Calvin, zei hij, er is één ding dat ik je altijd al eens heb willen vragen. Toen we jong waren heb je wel eens meegedaan bij ons thuis in de kelder. We waren aan het spelen en toen greep jij de microfoon en begon te schreeuwen met een verschrikkelijk hoge krijsstem. Heel intens en weird, het ging door merg en been. Wat is er daarna met je gebeurd? Waarom ben je met zo’n diepe bariton gaan zingen? Zoals je toen zong, dat was waanzinnig. Ik was het allang vergeten, maar vroeger deed ik dat inderdaad wel eens voor de grap, zoals in mijn eerste band The Cool Rays. Maar dat houd je niet lang vol zonder training, ik heb mijn stembanden beschadigd. Ik kan dat nu niet meer. Ik heb dus weinig keuze. Dit is mijn stem.’

Of Calvin nu bewust de Pavement-grap ontweek of niet, ik heb geen idee. Hij kon je aankijken met ogen die overal dwars doorheen keken. Twee autisten onder elkaar, zo moet de fotografe die op ons zat te wachten tot ze eindelijk haar plaatje mocht schieten ons aanschouwd hebben. Het was de tijd van de postgrunge, lelijker muziek is er nooit gemaakt. Ook Britpop was nog happening. Calvin (het vieze gezicht verzin ik er zelf maar even bij): ‘Ik heb nog nóóit een plaat van Blur of Oasis gehoord, maar ik weet bijna zeker dat ze heel saai zullen zijn. Misschien schrijven ze best aardige nummers, maar ik hoef ze niet te horen om te weten dat ik er niks mee kan. Spelen ze in de lokale punktent? Nee? Nou, dan ben ik niet geïnteresseerd. Ik ben geïnteresseerd in muziek die uit het hart komt, die van mens tot mens communiceert, niet in massa’s. Als iets tot grote proporties wordt opgeblazen en het meer dan een tientje kost om een show te zien, dan kan het bijna niet betekenisvol zijn. Dan is het een toneelspel. Gebakken lucht.’ Hij noemt The Yummy Fur en Lungleg zijn favoriete Britse bands van dat moment – in de vergetelheid geraakte Glaswegians, zoals zoveel van zijn ‘kinderen’.

Boven alles is Calvin Johnson een ambassadeur van de ware underground gebleken. Vanaf het moment dat hij plaatjes ging draaien bij het radiostation van Evergreen State College in Olympia, Washington en ging schrijven voor het Sub Pop-fanzine van Bruce Pavitt (die er later een multimillion labelbedrijf van zou maken). Vanaf de dag dat hij samen met mede-Evergreen-studentes Heathen Lewis en Laura Carter een eerste bandje begon (voor de naar Seattle verkaste Laura kwam Brett, ook al had die toen nog nooit een instrument in zijn handen gehad). Vanaf de dag dat de drie samen met Wipers-held Greg Sage in de oude brandweerkazerne in de Evergreen campus de eerste vier liedjes van Beat Happening opnamen: Our Secret, What’s Important, Down At The Sea en I Love You. Dat was 11 december 1983. Vanaf die dag is Calvin Johnson een man met een missie: ‘Exploding the teenage underground into passionate revolt against the corporate ogre since 1982’, aldus het K-motto.

Zo invloedrijk als de band en het label waren in de levendige D.I.Y. punkscene van Olympia, zo gehaat werd Johnson elders om zijn onbuigzaamheid en soms ridicule principes. Volgens Michael Azerrad, schrijver van Nirvana-bio Come As You Are en opvolger Our Band Could Be Your Life: Scenes From The American Indie Underground 1981-1991 (over alle bands die aan de grunge-explosie voorafgingen), was Johnson ook binnen de hechte Olympia-scene niet onomstreden: ‘Zijn rol grensde aan die van cultleider, met alle onhebbelijkheden vandien.’ Volgens Azzerad maakte Calvin regels voor de hele community en dwong hij hen niet alleen zijn straight edge-principes op, maar zou hij bijvoorbeeld ook zoiets raars als uien (!) in de ban hebben gedaan. Nadat Kurt Cobain zich uit de K Records-scene had opgewerkt tot wereldwijde rockster, schopte hij hard na. In een nooit verstuurde brief, gepubliceerd in zijn postume dagboek Journals, schreef hij villein: ‘I made about five million dollars last year and I’m not giving a red cent to that elitist little fuck Calvin Johnson. I’m not gonna donate a single fucking dollar to the fucking needy indie fascist regime. They can starve. Let them eat vinyl.’ He doopte Calvins volgers ‘Calvinists’ en portretteerde ze als een clubje verwaande hipsters.

(Overigens staat in datzelfde Journals een brief afgedrukt van Kurt aan Mark Lanegan, waarin hij Polly Pereguinn, een nummer van de EP die Beat Happening samen met Lanegans band Screaming Trees opnam in 1988, zijn favoriete popsong van de jaren tachtig noemt.) 

Dat calvinisten no fun zijn, weten we hier maar al te goed. De groep moet het tijdens haar actieve periode in Nederland vooral van een trouwe following in Groningen hebben. Geen idee of Johnson vaker in Nederland heeft opgetreden, maar op 6 juni 1991 stond hij in ieder geval met Beat Happening op de planken van Vera, zo leert de concertpoll van dat jaar. De band eindigde op plek 16 (een van Calvins grote voorbeelden, Jonathan Richman, stond op 2, achter The Jesus Lizard). In Vera’s albumlijst van dat jaar staat Dreamy op 4, na Nevermind, Spiderland van Slint en Dinosaur Jr’s Green Mind (maar vóór datzelfde Jesus Lizard, Monster Magnet, Tad, Bongwater, Helmet en Blood Sugar Sex Magik van de Peppers). Voorwaar geen slecht muziekjaar.

Het is ook mede aan een Groninger te danken dat Calvin Johnson na al die jaren opeens deze kant op komt. Voor zijn boek-met-vinylplaat Where The Candybeetle Dwells nodigde illustrator en zeefdrukker Willem Kolvoort (bekend van de prachtige Vera-concertposters) een aantal bevriende en bewonderde muzikanten uit om een liedje op te nemen geïnspireerd op een illustratie uit zijn beeldverhaal. O.a. Mark Lanegan, Fred Cole van Dead Moon, Afterpartees, Meindert Talma en ja, ook Calvin Johnson (vermomd als The Hive Dwellers) gaven aan de oproep gehoor. En dus voert deze Europese minitour van troubadour Johnson ook naar Vera en, jippie!, ook Café De Ruimte bij mij om de hoek in Amsterdam-Noord. Hopelijk speelt hij straks in dat veel te kleine cafeetje op de Buiksloterdijk een paar van mijn favoriete Beat Happening-liedjes. Our Secret. Run Down The Stairs. Foggy Eyes. Cast A Shadow. Collide. Knock On Any Door. Indian Summer. Noise. Al valt natuurlijk de helft af omdat Heather er niet bij is. Wie weet doet ie alleen solowerk. Dan heb ik in elk geval een van mijn oude (anti)helden zien spelen en is de herinnering aan een mislukt interview hopelijk definitief uitgewist.

De Best Of-cd Look Around van Beat Happening ligt vanaf 20 november in de winkel.

UPDATE Volgens Willem Kolvoort speelde Calvin Johnson in 1997 ook al eens in de kelderbar van Vera; het posterarchief leert ons dat hij op 18 december 1997 met Dub Narcotic Sound System in De Oosterpoort optrad. En ten tijde van Jamboree (1988) zou Beat Happening al eens in Amsterdam hebben opgetreden, dacht Kolvoort (van wiens hand de afgebeelde concertposter uit 1991 is).

CALVIN JOHNSON: 27 okt Maison Des Musiques, Brussel | 29 okt The Irrational Library, Haarlem | 30 okt Molen De Ster, Utrecht | 31 okt Vera kelderbar, Groningen | 1 nov Dorpshuis De Leeuw, Garmerwolde (middagshow) | 1 nov Café De Ruimte, Amsterdam