The Best Of Bowie - Chief Editor's Cut

Genre
Pop
Gepubliceerd op

RUBBER BAND (1966)
Bowie, de tienerjaren. Een bijna cabaretesk marsje dat letterlijk volhangt met olijke toeters en bellen en voor Nederlandse (sixties)oren moet hebben geklonken als de ontbrekende Engelstalige schakel tussen Jan Klaassen De Trompetter en het vroege oeuvre van Boudewijn de Groot. Bowie grossierde destijds in dit soort kinderliedjes (zie ook Little Bombardier en The Laughing Gnome). Zo verrukkelijk naïef zou ie nooit meer klinken.

PORT OF AMSTERDAM (1969)
Afkomstig van Bowie At The Beeb (The Best Of The BBC Radio Sessions 68-72) en uiteraard geen original, maar met wát een overgave en een heilig vuur gaat de nog jonge Bowie hier een van Jacques Brels signature songs te lijf. Adembenemend goed. En ja, ik hoorde ‘m pas voor het eerst in 2000, toen die BBC-sessies eindelijk eens werden uitgebracht.

SPACE ODDITY (1969)
Gewoon, omdat het moet. Helemaal kapotgedraaid door de hele wereld en mijzelf, maar toch: wát een onontkoombare, onovertroffen, loepzuivere klassieker. En o, wat sprak ‘t tot de verbeelding, die tekst over Major Tom, de op drift geraakte en ten dode opgeschreven astronaut die desondanks kalm contact zoekt met de aarde. ‘Tell my wife I love her very much.’ Ruimtetragedie of verkapte drugstrip, ‘t donderde niet. Tranen zo mooi.

WILD EYED BOY FROM FREECLOUD (1969)
Het lekker elitaire 'obscure b-kantje' dat nu eenmaal bij een persoonlijke lijst hoort (insert smiley). Let wel: het gaat hier om de intieme akoestische versie op de b-kant van Space Oddity, niet de vet georkestreerde variant die later zou opduiken op Bowie's officieuze albumdebuut David Bowie (ook wel Space Oddity). Hoe dan ook een prachtig meeslepend, theatraal lied waarin Bowie het, natuurlijk, gewoon over zichzelf heeft.


MEMORY OF A FREE FESTIVAL (1970)
Hoeveel tijdsbeeld kan er in een songtitel zitten? Het had nog echt plaatsgevonden ook, dat Free Festival (want nee, dit is geen hommage aan Woodstock). Maar vlak ook die heerlijke hippiechant niet uit die het liedje mag uitblazen: ‘The sun machine is coming down / And we’re gonna have a party.’ Ad infinitum. Bowie sluit de jaren zestig af en begint aan een nieuw decennium, zijn decennium.

THE WIDTH OF A CIRCLE (1970)
De ondoorgrondelijke psychedelische trip waarmee Bowie’s eerste echte rockplaat, The Man Who Sold The World, wordt ingehuldigd. En hoe. We maken hier ook kennis met Mick Ronson – die jarenlang Bowie’s vaste gitarist zal blijven – en de begeleidingsband (met bassist Trevor Bolder en drummer Mick ‘Woody’ Woodmansey) die we later gaan kennen als The Spiders From Mars.

ALL THE MADMEN (1970)
‘They’re coming to take me away, ha-haaa!’ Maar dan anders. Dagboek van een waanzinnige, opgesloten, geïsoleerd, gehersenspoeld. Maar hij heeft er vrede mee, lijkt het. ‘I’d rather stay here / With all the madmen / Than perish with the sadmen roaming free.’ Beklemmend nummer, naar verluidt geïnspireerd door Bowie’s halfbroer Terry Burns, die met ernstige psychische problemen kampte en uiteindelijk in 1985 zelfmoorde pleegde door voor een trein te springen. Over dat laatste schreef Bowie later trouwens nog een song, Jump They Say (van Black Tie White Noise uit 1993).

THE MAN WHO SOLD THE WORLD (1970)
Nog altijd de onovertroffen versie, ondanks Lulu en Nirvana. Alleen al memorabel vanwege dat eindeloos doorzanikende gitaarlijntje en die wiegende latinpercussie eronder (met een hoofdrol voor de, eh, rasp). In de tekst berijdt Bowie gewoon een van z’n stokpaardjes: een close encounter met een alter ego. Er zouden er nog vele volgen (en er waren er, voor de oplettende Bowie-aficionado, ook al vele gepasseerd).

KOOKS (1971)
Juist, daar vernoemde dat ene bandje zich 33 jaar later naar. Maar dat heb ik ze vergeven (zolang ze maar geen platen meer uitbrengen). Het huppelende Kooks – geschreven pal na de geboorte van Bowie’s zoon Zowie – blijft een van de gems op Hunky Dory, vooral vanwege de prachtige meerstemmige samenzang in het refrein. Want ja, behalve door de kleine Zowie was Kooks ook geïnspireerd door wat Bowie aan het luisteren was toen hij het nieuws over zijn vaderschap vernam: Neil Young.

LIFE ON MARS? (1971)
Een van Bowie’s mooiste maar tegelijkertijd meest abstracte songs. De teksten lezen alsof ze met schaar en lijm in elkaar zijn gezet: ‘It’s on America’s tortured brow / Mickey Mouse has grown up a cow / Now the workers have struck for fame / ‘Cause Lennon’s on sale again.’ Bowie’s eigen My Way, werd destijds geroepen, ook vanwege zijn bewondering voor Frank Sinatra. Stompzinnig trivia fact: de regel ‘Mickey Mouse has grown up a cow’ werd later gebruikt door het niet minder stompzinnige Bush in hun grootste hit, Everything Zen. Als eresaluut aan Bowie, ook dat nog.

ANDY WARHOL (1971)
Over eresaluut gesproken. Dit is vooral – geheel in de geest van het onderwerp – een kleurrijk exemplaar, dat fantasierijk en licht ontregelend wordt in- en uitgeluid maar daartussenin toch gewoon een simpel, ijzersterk akoestisch liedje herbergt. ‘Andy Warhol looks a scream / Hang him on my wall / Andy Warhol, silver screen / Can’t tell them apart at all.’ Ik zeg: het op één na beste nummer van Hunky Dory.

VELVET GOLDMINE (1971)
Nog zo'n b-kantje. Gewoon omdat het kan, maar ook omdat het een ijzersterk Bowie-nummer blijft (in full-on androgyne glamrockmodus). Opnieuw een flipside van Space Oddity, maar dan de Britse heruitgave ervan uit 1975. Onbetaalbaar is vooral het outro, vol zoemende koortjes en homerisch gelach. Enne, die beroemde gelijknamige film uit 1998? Jazeker. Naar wie anders dacht u dat hoofdpersoon Brian Slade (gespeeld door Ewan McGregor) was gemodelleerd?

HOLY HOLY (1971)
Bijna hetzelfde verhaal als Velvet Goldmine. Ook al in 1971 opgenomen tijdens de Ziggy Stardust-sessies, maar nooit officieel op een album beland (beide songs zouden decennia later op de bonusdisc bij de 30th Anniversary Edition van Ziggy Stardust opduiken). Geweldig nummer niettemin en Bowie's zoveelste parel in het (glamrock)genre.

FIVE YEARS (1972)
‘We got five years, my brain hurts a lot / We got five years, that’s all we’ve got.’ En reken maar dat ik als tienerjongetje angstig zat af te tellen tot 1977. Zou het echt...? Ja, Bowie nam ik in die tijd stukken serieuzer dan vorig jaar het Maya-volk. ‘News guy wept when he told us, earth was really dying.’ Precies vijf jaar hadden we nog en dan had ik er in mijn puberale onwetendheid óók nog eentje verspeeld, want ik kocht die plaat pas in 1973!

MOONAGE DAYDREAM (1972)
‘I’m an alligator, I’m a mama-papa comin’ for you / I’m the space invader, I’ll be a rock ‘n’ rollin’ bitch for you.’ Jawel, de geboorte van Ziggy Stardust himself – rockster, messias, alien, seksgod, rebel, transgender. ‘Keep your ‘lectric eye on me babe.’ Geweldig rocknummer.

STARMAN (1972)
Alsof Ziggy Stardust zelf al niet buitenaards genoeg is, introduceert Bowie hier een via radiogolven tot de jonge earthlings sprekende Starman. Of gaat het ‘gewoon’ weer over drugs? ‘There’s a starman waiting in the sky / He’d like to come and meet us / But he thinks he’d blow our minds.’ En ja, verderop gaat het dan van ‘Let the children lose it / Let the children use it.’ De overlevering houdt het niettemin op een goedaardige alien. Hoe dan ook, nog altijd de beste en meest catchy song van Ziggy Stardust. Of was dat nou...

ZIGGY STARDUST (1972)
De eerste Bowie-song die ik van begin tot eind kon meezingen. Zo’n song die je je hele leven bij je draagt, volledig los van betekenis en context. Toen ik later Bowie’s meest tot de verbeelding sprekende album (Ziggy Stardust dus) pas écht een beetje begon te snappen, zag ik dat de Ziggy die aan het begin van de plaat voorzichtig geschetst werd, hier armen en benen kreeg. En wat ‘t zegt weet ik niet, maar Ziggy Stardust was de enige Bowie-song waarvan een cover – die van Bauhaus uit 1982 – bijna net zo goed gelukt was als het origineel. Vond ik dan.

JOHN, I’M ONLY DANCING (1972)
Jaren na dato pas ontdekt: Bowie’s fraaiste weeskindje. Het staat niet op een regulier album en werd in z’n hoedanigheid van single – onterecht – geen grote hit. De tekst is licht pikant, vooral vanwege de vermeende homoconnotatie: de ik-figuur maakt vriendje John duidelijk dat ie toch echt, heus alleen maar met dat meisje aan het dansen was en niets klefs met haar in de zin had!

THE JEAN GENIE (1972)
Toegegeven: de allereerste Bowie-song die ik hoorde, als elfjarig ventje dat langzaam in de ban raakte van all things glamrock (en dat liep van verantwoorde namen als Roxy Music en Lou Reed tot hitparadevolk als The Sweet, Slade en, toen nog heul onschuldig, Gary Glitter). Maar nog steeds: wát een killer riff. En wat een gotspe dat The Sweet amper een paar maanden later diezelfde riff leende voor hun hit Block Buster. Maar ja, als elfjarige Bowie-discipel kende ik het woord plagiaat nog niet en er waren ook geen social media om verontwaardigd op te doen.

PANIC IN DETROIT (1973)
‘Een salsavariant op de Bo Diddley-beat’, zo definieerde men destijds de muzikale insteek van Panic In Detroit. Al kun je er, vanwege de percussie en de oohoo-koortjes, ook een knipoog naar Sympathy For The Devil van de Rolling Stones in horen. Maar bovenal is Panic In Detroit gewoon een in lekker broeierige, filmische muziek verpakt portret van een onverschrokken stadsguerrillero. ‘He looks a lot like Che Guevara / Drove a diesel van / Kept his gun in quiet seclusion.’

GROWIN' UP (1973)
Horen is geloven: Bowie zingt Springsteen (het origineel staat op diens Greetings From Asbury Park, N.J.),inclusief (nep-)Amerikaans accent, Springsteen-intonatie en een thematiek die natuurlijk net zo ver van Bowie's wereld af ligt als New Jersey van Londen. Weird maar uiterst vermakelijk. Te vinden op de bonusdisc bij de 30th Anniversary Edition van Diamond Dogs.

1984 (1974)
Diamond Dogs vond ik maar een rare plaat. Bowie als half mens/half hond op de hoes, schimmige verwijzingen naar 1984 van George Orwell (Big Brother!)en dan ook nog een boel matige songs. Het sprak me allemaal totaal niet aan. Behalve 1984 zelf natuurlijk. Spannend, funky en doortrokken van dat zweterige Theme From Shaft-sfeertje (en in die zin een voorbode van wat we op opvolger Young Americans gingen beleven).

FAME (1975)
Bijna was het over tussen Bowie en mij, na Diamond Dogs, waar ik m’n vinger maar niet achter kreeg. Kwam ie vervolgens ook nog eens met een gladgeslepen plaat (Young Americans) vol ‘verantwoorde’ soul en funk! De redding volgde op het nippertje en heette Fame. Funk, natuurlijk, maar wel funk volgens de ‘ouderwetse’ Bowie-doctrine: eigenwijs, opwindend, reteslim in elkaar gezet en afgemaakt met een zwiepende gitaarriff die me onmiddellijk won voor de schepper ervan: Carlos Alomar.

STATION TO STATION (1976)
Wederom een song waarin een beroemd Bowie-personage wordt geïntroduceerd: the thin white duke. Dik tien minuten duurt ie, deze langzaam op stoom komende opener van het gelijknamige album, en hij werd geboren uit enerzijds Bowie’s zijdelingse fascinatie voor occultisme – er zijn verwijzingen naar de kabbalah en naar mysticus Aleister Crowley – en anderzijds zijn fanatieke cocaïneverslaving, die ervoor zorgde dat ie zich al snel niets meer herinnerde van de opnamesessies.

WILD IS THE WIND (1976)
Opnieuw geen original. Het nummer werd zelfs al in de jaren vijftig geschreven door – even spieken – Dimitri Tiomkin en Ned Washington. Maar na inmiddels vele uitvoeringen gewikt en gewogen te hebben (van o.a. Nina Simone, George Michael en Cat Power), zeg ik: die van Bowie blijft de mooiste.

SPEED OF LIFE (1977)
Een plaatopener als een trots statement. Weg waren de funk, de soul en de ballads,tijd voor een ‘nieuwe’ Bowie. Hoera. De standplaats was Berlijn, de sidekick heette Brian Eno en de modus operandi was weer even heel anders: dwars, experimenteel, weerbarstig, gevaarlijk. Dus waarom niet gewoon een album (Low) openen met een lekker harkerige instrumental?

WARSZAWA (1977)
Ambient volgens Bowie, deel 1. Maar met uitvinder Brian Eno aan zijn zijde kon dat natuurlijk niet misgaan. Warszawa put muzikaal behoorlijk uit het Tangerine Dream/Kraftwerk-vaatje en is eigenlijk veel te melodieus en gestructureerd om te kunnen doorgaan voor ambient. En dan zwijgen we nog maar over Bowie’s geëxalteerde interpretatie van Balkanfolk die de boel na vier minuten opschudt. Maar een biologerend en op dat moment bepaald atypisch Bowie-werkje blijft het.

SENSE OF DOUBT (1977)
Ambient volgens Bowie, deel 2. En hij heeft vorderingen gemaakt. Al blijft het natuurlijk een oersimpele sfeerschets, met ook nog eens een gruwelijk clichématig suspense-themaatje op de piano. Maar hé, het werkt. Als de popgeschiedenis één track heeft opgeleverd die in workshops popjournalistiek te allen tijde mag worden opgevoerd als excuus voor de recensiestoplap ‘desolaat’ is het Sense Of Doubt wel.

REPETITION (1979)
Die sonore, emotieloze zangstem en dat gewelddadige thema – lomperik Johnny mishandelt thuis structureel z’n vrouw – doen bijna een song van Lou Reed veronderstellen. Maar ome Lou had hier vast iets véél naargeestigers van gemaakt (met echte jammerende vrouwen en zo). Bowie kleedt het lichtvoetiger aan, met een huppelende tweekwarts, een vervormde wiebelbas en neurotisch af- en aanvliegende gitaarnootjes van dun elastiek. Merkwaardig maar intrigerend nummer.

BOYS KEEP SWINGING (1979)
Om eerlijk te zijn: de reden dat Boys Keep Swinging hier mag shinen heet Adrian Belew. De gitarist die beroemd werd om zijn ‘olifantengeluid’. De goede man beleeft hier met afstand z’n finest moment. Na precies twee minuten scheert De Solo laag over: gierend, piepend, krakend, ontsporend, driemaal over de kop slaand en – inderdaad – trompetterend. Wat een held. En het mooiste is: Bowie has left the building en laat Belew gewoon helemaal tot het einde toe uitrazen.

AFRICAN NIGHT FLIGHT (1979)
Eno geeft Bowie de geluidsbehandeling die hij in diezelfde jaren op Talking Heads (op Fear Of Music en Remain In Light)zou loslaten, maar dan toch wat ongemakkelijker swingend. Vervlochten ritmes, onbestemde geluiden, stemmen, Afrikaanse chants en een Bowie die zich Frank Zappa waant. Bevreemdend en hypnotiserend.

SCARY MONSTERS (AND SUPER CREEPS) (1980)
Ik meende zeehonden te horen in het intro, ik weet ‘t nog goed. Al bleef ik twijfelen of echte scary monsters wel zeehondengeluiden zouden maken. Wat ik ook verkeerd hoorde, in de eerste solo van het nummer, was mijn nieuwe gitaarheld Adrian Belew. Maar het was Adrian helemaal niet. Het was Robert Fripp die Adrian nadeed. Over super creeps gesproken. Enfin, rond het ingaan van de derde minuut hoorde ik ook walvissen. Walvissen! Kortom, Scary Monsters verwarde mij hevig. Reden genoeg om ‘t in deze lijst op te nemen.

ASHES TO ASHES (1980)
Beste. Bowie-nummer. Ooit. Geen discussie. Bevat zóveel ijzersterke hooks dat elke mindere muzikale god met een opportunistische inborst er vermoedelijk drie aparte songs van zou maken. Onverwoestbaar en – ondanks de plukbas – volkomen tijdloos. Bowie verklaarde later dat hij met Ashes To Ashes het decennium, zijn decennium, officieel afsloot. Fenomenaal.

CHINA GIRL (1984)
En toen ging mijn held ineens wel érg schaamteloos commercieel. Let’s Dance (het album) had de knallende en spetterende productie die de tijd voorschreef en ik was erbij in de Kuip en ik wilde toch weer net zo’n coupe als Bowie en ik danste in het weekend op het titelnummer, maar ik wist dat dit niet helemaal míjn Bowie meer was. China Girl was goed te doen, maar was dan ook geschreven door Iggy Pop.

THIS IS NOT AMERICA (1985)
De film (The Falcon And The Snowman)heb ik nooit gezien, maar dit kwam dus van de soundtrack. Ik vond het een mooi en smaakvol nummer. Bowie zong er zo lekker diep op. Ach ja, na zijn bedenkelijke duik in de mainstream was ik snel tevreden, vermoed ik. Ik had zelfs geen last van het feit dat Bowie hier werd begeleid door de Pat Metheny Group.

CRACK CITY (1989)
Opdat wij Tin Machine (1988-1992), de groep waarin Bowie ‘slechts’ de zanger was, niet helemáál vergeten. Eén redelijk album maakten ze (Tin Machine), opvolger Tin Machine II was – zoals de Britten zeggen – utterly forgettable. Crack City is met afstand de spannendste song van dat debuut: venijnige tekst, scheutje Iggy Pop, snufje Jean Genie, lekkere grotestadssfeer, messcherp gitaarwerk. The Best Of Tin Machine in 4 minuut 36.

PALLAS ATHENA (1993)
Het enige nummer van Black Tie White Noise waarbij ik overeind schoot. Bowie doet een Fatboy Slim: Pallas Athena leunt, ingeleid door een dreigende strijkerssectie, op een dik aangezette breakbeat en daaroverheen horen we een gesamplede stem – ik gok een zwarte dominee – 'God is on top of it all' roepen, op de hielen gezeten door de sax van Lester Bowie (!) en repetitief indianengezang. Van Bowie zelf overigens geen spoor.

THE HEARTS FILTHY LESSON (1995)
De Bowie van de jaren negentig en ik, het zou nooit wat worden. Dráken van platen maakte mijn oude held, en het als ‘deel 1 van een serie conceptalbums’ aangekondigde 1. Outside was er natuurlijk gewoon een van, ondanks dat handjevol aardige nummers. Kom, ik noem The Hearts Filthy Lesson. Lekker industrieel, lekker hard funkend, lekker duwend en dwingend. Maar daar was alles mee gezegd.

I’M AFRAID OF AMERICANS – NINE INCH NAILS V1 MIX (1997)
Het had natuurlijk best iets koddigs, Bowie die op z’n ouwe dag ineens heel hip en cutting edge ging doen. Op Earthling experimenteerde hij met industrial en drum ‘n’ bass. Ging soms goed, soms niet. Maar het klopte natuurlijk sowieso niet: Bowie als trendvolger in plaats van trendsetter. Gelukkig kreeg hij in de daaropvolgende remixfase (ook heel hip) hulp van deskundigen als Trent Reznor. Die maakte I’m Afraid Of Americans een stuk beter te verteren.

WHAT'S REALLY HAPPENING? (1999)
What’s really happening? Vroeger interesseerde het Bowie geen reet. Hij maakte zijn eigen werkelijkheid en als ie die zat was, zette hij ‘m weer op z’n kop. Inclusief zichzelf. Nieuw jaar, nieuwe Bowie, nu nóg eigenwijzer. Maar na Let’s Dance (1984), of eigenlijk al na Scary Monsters (1980), was het beste eraf. In de jaren negentig en de nieuwe eeuw volgde, langzaam, zijn Rock ‘N’ Roll Suicide. Dachten we toch. Tot het januari 2013 werd. Where are we now? We zullen het snel weten.

Door Erik van den Berg / Foto: Jimmy King