23 november 1975. Die dag, exact een halve eeuw geleden, werd er rock & roll-geschiedenis geschreven in ons land. Die dag wervelden Bruce Springsteen en zijn E Street Band over het podium van de Amsterdamse RAI. Zij die erbij waren weten het zeker: zoiets hadden ze nog nooit gezien! OOR-redacteur Constant Meijers was één van hen. Dit was zijn verslag in Muziekkrant OOR.
Fotografie Kees de Jong
Het kostte de afhalers op Schiphol moeite om in de massa zojuist gearriveerde bezoekers Bruce Springsteen te ontwaren. In het groepje dat door de glazen deuren van de aankomsthal kwam, viel niemand te bespeuren die aan het verstrekte signalement – gympjes, nauwe spijkerbroek, platte tweedpet – tegemoet kwam.
Wel viel achter de brede rug van een forse zwarte man een soort schuifelende kabouter op. Een manneke op schuiten van schoenen, in een broek waarvan het kruis op de knieën hing en met een grof gebreide groenwollen ijsmuts over donkere weerbarstige krullen. Verlegen schuifelde het sjofele manneke naderbij, stak een in een dikke handschoen gestoken hand uit en zei met een zachte, rasperige stem ‘Hi, I’m Bruce’.
Tijdens een eerste verkenning van het in feestverlichting badende Amsterdamse stadscentrum bleek Springsteen, vergeleken bij New Orleans toen ik voor het laatst met hem opliep, een ander mens geworden. De veerkracht was uit zijn tred, praten kostte hem te veel moeite, lachen (die vrolijke, schorre, hoge hinniklach) deed hij nog slechts bij uitzondering. Hij bleek oververmoeid te zijn.
Door ‘Miami’ Steve Van Zandt liet hij zich gewillig voor een tweede toer door het Red Light District op sleeptouw nemen. De handen gingen ter verontschuldiging even in een hulpeloos gebaar omhoog. Ach, het is ook bijna onmenselijk om maandenlang avond aan avond twee tot drie uur jezelf leeg te spelen. Voor vakantie is de tijd volgens manager Appel nog niet rijp. Vette kluifjes met Kerst en Nieuwjaar moeten de groep nog even op de been houden. Daarna zal aan een nieuwe plaat begonnen moeten worden. De trein ligt op volle snelheid, het eindstation in een onzichtbare verte. Je kunt er alleen nog maar afspringen.
In de Wintertuin van het Amsterdamse Krasnapolsky hotel was ter ere van de verjaardag van ‘Miami’ Steve een feest op touw gezet. De vaderlandse pers was ervoor uitgenodigd, om het gezellig te maken ook nog een heleboel moderne mensen. Springsteen kwam gelukkig ook, nog steeds dik ingepakt. Om hem ging het tenslotte, al maakte zijn antiheld-imago op de meeste aanwezigen weinig indruk.
Behalve de fotografen natuurlijk. Zij waren nog niet in de gelegenheid gesteld om een plaatje van Springsteen te schieten, hun werk te doen. Wie kan het hen kwalijk nemen dat zij deze feestelijke bijeenkomst wilden misbruiken om Springsteen toch nog even vast te leggen? Mazzel hadden ze echter niet. Toen Springsteen doorkreeg waar het een aantal toegeschoten gasten om te doen was, verdween hij naar een onopvallende plek achterin om even later helemaal van het toneel te verdwijnen. ‘Too many pushy people’, zei hij er de volgende dag van. En zo was het.
Ondanks, of juist vanwege, alle om Springsteen heen geproduceerde publiciteit hing er in de zaal van het RAI Congrescentrum een verwachtingsvolle maar met scepsis beladen sfeer. Als ongelovige Thomassen moest men het eerst nog maar eens zien. Men kreeg er tweeënhalf uur de tijd voor. Tweeënhalf uur vol verrassing, verwondering, verbazing, geschater, genot en puur geluk. De kleine man uit Asbury Park, New Jersey, bleek een geboren en uiterst begenadigd Meester Van Tijd En Ruimte te zijn.
Het woord ‘hype’ lag na afloop op de lippen van de sceptici bevroren. Wat eigenlijk direct al het geval was nadat de eerste lichtspot op de winterkabouter aangeflitst was en schrille mondharmonicatonen uit het begin van Thunder Road een laagje ijzel over de ruggen van de aanwezigen gelegd had. Met een spot op de rechts op het podium gezeten pianist Roy Bittan (een revelatie) en een spot op de aan de linkerzijde gezeten organist Danny Federici werd de volle breedte van het toneel optimaal benut. De contrastwerking tussen licht en donker werd al even optimaal uitgebuit om het spanningsverloop van de show te ondersteunen.
Naast de overweldigende muzikale prestaties bleek het gebruik maken van theatrale tegenstellingen de sleutel tot het niet te stuiten succes van Springsteen. Tegenstellingen in de keuze van het repertoire, in het gebruik maken van hard en zacht, zowel vocaal als instrumentaal, in het afwisselen van fluisteren en schreeuwen, in wit versus zwart, in de grote mens naast de kleine – ze vormden elementen die door Springsteen geniaal uitgewerkt en uitgebuit werden.
Thunder Road was nog maar een aanloop, zij het een zeer overtuigende en indringende. De volgende troef werd bij het tweede nummer uitgespeeld: de overdonderende opkomst van de reusachtige zwarte saxofonist Clarence Clemons. Springsteen was niet te stuiten. Schijnbaar achteloos en moeiteloos speelde hij het ene meesterstuk na het andere over de hoofden van het verbaasde publiek uit. Spirit In The Night liet de ongelooflijk goede en hechte E Street Band à la Steely Dan perfecte jazzrock uitdragen.
De E Street Shuffle werd de culminatie van alle Springsteen ter beschikking staande muzikale en theatrale middelen. Door humor en gevaar perfect te manipuleren bouwde hij een spanning op die zich bijna letterlijk als een elektrostatische vonk ontlaadde en de geboeide toeschouwer tot een verademend en bewonderend applaus bracht.
Ach, het hield niet op met van de ene verbazing in de andere vallen. Opeens blijkt Springsteen ook nog eens uitstekend sologitaar te kunnen spelen. Dat had je van die sjofele figuur naast die nette begeleidingsheren niet verwacht. Weer werkte de tegenstelling. Net als wanneer de slome Springsteen tijdens de rock & roll-toegiften verandert in een felle en agressieve belichaming van Little Richard, Elvis Presley en Carl Perkins.
Volkomen onbegrijpelijk bleef het overdonderde publiek tijdens schitterende uitvoeringen van Devil With The Blue Dress en Jenny, Jenny [aka The Detroit Medley] aan de zittingen gekleefd. Goed, dan zal Springsteen de zaak nogmaals versteld laten staan. Zichzelf aan de piano begeleidend brengt hij For You ten gehore. Zijn stem is na die meer dan twee uur nog onaangetast. Sterk genoeg om met de laatste toegift, Chuck Berry’s Carol, de hele zaal op zijn kop te krijgen.
Het is gelukt. Springsteen heeft zichzelf ten koste van zichzelf wederom bewezen. De mythe leeft. Bruce Springsteen is de belichaming van al het voorafgaande. Van de New Yorkse musical tot de jazzrock, van Ray Charles tot Steely Dan. Daarin schuilt zijn grootheid: op basis van het voorafgaande plus zijn eigen genialiteit is Springsteen het historische fenomeen dat heden aan de orde is.
Bruce Springsteen in OOR
50 jaar Springsteen door de ogen van OOR. Bestel het boek hier.