achtergrond

Een historie in honderdtallen: OOR #300 (1983)

In het kader van de duizendste OOR doken we eens grondig de archieven in, op zoek naar eerdere (ongemerkt gepasseerde) jubilea. OOR #100, 200, 300 et cetera – wat waren dat voor edities en wat zeiden ze over de (muzikale) tijd waarin we leefden? Zie hier: OOR #300 van 23 april 1983.

DE WERELD

De Nederlandse markt maakt kennis met een nieuw muziekspeeltje: de compact disc, een gezamenlijk initiatief van Philips en Sony/CBS | In het Rotterdamse Dijkzigt-ziekenhuis wordt de eerste Nederlandse reageerbuisbaby geboren: Stefanie Hing Li | In Wesmont, Illinois overlijdt blueslegende Muddy Waters op 70-jarige leeftijd aan een hartaanval.

DE COVER

Het woord gender komt er niet in voor, maar het zou zomaar een interview van nú kunnen zijn, met een popster die zich mens voelt in plaats van man of vrouw, die zich kleedt en gedraagt hoe hij/zij wil en die seksualiteit beschouwt als iets om mee te experimenteren en ontregelen. Maar het is april 1983 en de (pop)wereld lijkt nog niet helemaal gewend aan het verschijnsel Boy George (echte naam: George O’Dowd), de flamboyante zanger van het Britse Culture Club, dat op dat moment al kolossale hits als Do You Really Want To Hurt Me en Karma Chameleon op zijn naam heeft staan. En dus krijgt George in OOR alle ruimte om nog eens uit te leggen hoe het nou precies zit met, juist, de mens achter Boy George. ‘Ze zeggen: je kleedt je zo om reacties uit te lokken. Maar als ik dat werkelijk zonodig wilde, waarom zou ik dan iedere morgen urenlang aan mijn haar zitten werken? Ik zou een theepot op mijn hoofd zetten en naakt over straat lopen.’ Dat hij ‘een domme nicht’ zou zijn, daar kan George ook niet van wakker liggen. ‘Ik hou gewoon van een bepaald aspect van mijn seksualiteit. (…) Ik hoef niet te verkondigen dat ik wel of geen nicht ben, want dat is volslagen irrelevant. Ik bedoel, ik ben geen travestiet, ik ben geen homofiel, ik ben een doodsimpele jongen die er trots op is een zanger te zijn. (…) Het verschil tussen mij en mensen als David Bowie is dat hun imago een uitvloeisel was van hun performance. Dat is bij mij niet zo. Ik zag er jaren geleden al zo uit. Ik heb overal gewerkt, in fabrieken, in een grafisch bedrijf, in een studio, ik ben fotomodel geweest, maar ik heb er altijd waanzinnig uitgezien.’

DE PLAAT

Ook hier ontkomen we niet aan David Bowie. Zijn ‘discoplaat’ Let’s Dance is zojuist verschenen en redacteur Bert van de Kamp – duidelijk een liefhebber van de ‘oude’ Bowie – zet zich met de nodige scepsis aan een recensie. ‘De boodschap van dit album is simpel: de tijden mogen dan zorgelijk zijn, zolang we nog kunnen dansen is er hoop.’ Bang voor ‘leeghoofdig vermaak of goedkoop escapisme’ hoeven we volgens Van de Kamp niet te zijn, maar toch. Die hoes alleen al. ‘Zijn outfit is te nieuw en zijn haar zit te netjes.’ Scary Monsters, zijn vorige, wordt er nog eens bijgehaald. ‘Een belangrijke plaat voor Bowie. Gestoken in een clownspak bracht hij daarop verslag uit van zijn diepste angsten en onzekerheden, en passant een vrij pessimistische toekomstverwachting ventilerend. Vergeleken daarbij is Let’s Dance niet meer dan een tussendoortje.’ Na de songs één voor één min of meer te hebben afgeserveerd, resteert er voor Van de Kamp uiteindelijk één topnummer: Ricochet. ‘Dat is niet veel op een hele lp.’ Toch is hij realistisch en blijkt hij over een scherpe vooruitziende blik te beschikken. ‘Let’s Dance zal in groten getale over de toonbanken vliegen.’

DE PODIA

Tegenwoordig hebben we Rammstein, in 1983 hebben we Kowalski. De ándere erfenis van de Neue Deutsche Welle, zeg maar. Want terwijl Nena’s 99 Luftballons en Peter Schillings Major Tom (Völlig Losgelöst) hoog in de hitparades staan, geven vier mannetjesputters uit Wuppertal – vermomd als mijnwerkers – uiting aan hun ‘intense kwaadheid op het Duitsland van vroeger en nu, waarin het individu steeds rücksichtsloser door de mallemolen van de maatschappij wordt gehaald en een nihilistisch radertje in het grote rad wordt’. Kortom, Kowalski gaat er live met gestrekt industrieel been in en OOR’s Harry van Nieuwenhoven ondergaat het in Paradiso allemaal gedwee. Alhoewel. ‘Kowalski’s muzikale Black & Decker ging twaalf songs lang door de zaal en ik kreeg evenveel slagen met een moker op m’n kop. Maar slecht voelde ik me er niet onder, eerder overmand. Toch heb ik één groot punt van kritiek op Kowalski. Het blijven typische Duitsers, die bij het neerzetten van hun boze show te veelvuldig grijpen naar (hulp)middelen die mij juist aan het enge deel van Duitsland doen denken. De gescandeerde kretologie, het zichzelf zo bloedserieus nemen, het gebruik van Adolf Hitlers stem alsmede de ijzeren discipline die bij het musiceren en zingen tentoon wordt gespreid, roepen bij mij Polygoon-beelden op van een deel van de geschiedenis dat beter vergeten kan worden.’

DE VRAAG

OOR’s Bert van de Kamp interviewt de notoir bokkige Lou Reed en brengt het gesprek nog eens op Metal Machine Music, zijn controversiële noisealbum uit 1975. ‘Op dat album speel je érg veel gitaar’, constateert Bert. Lou: ‘Die plaat was de gitaarsolo die alle gitaarsolo’s overbodig maakte. Het trieste ervan is – en ik betreur dat zeer – dat er een sticker op had moeten zitten die de koper waarschuwde voor het feit dat er geen songs op stonden, want de hoes wekte de indruk dat het een rock & roll-album was. Met als gevolg dat veel mensen mij beschuldigden van afzetterij en anderen zeiden dat het mijn meesterplan was om van mijn platencontract af te komen. Dat was het niet. Het was voor mij één formidabele gitaarsolo.’

DE KANTLIJN

‘Nog onwennig schuift hij aan en begint pardoes een verhaal over in zee drijvend plastic, dat door zeeleeuwen opgegeten wordt omdat ze denken dat het hun prooi is, waardoor ze doodgaan.’ Opnieuw een interview van nu dat in de teletijdmachine verdwaald raakte? Nope, het blijft 1983 en OOR mag, in het Californische woestijnstadje Lancaster, op audiëntie bij de dan nog levende legende Don Van Vliet alias Captain Beefheart. Het levert – we zouden bijna zeggen: uiteráárd – een bizar onderhoud op. Tijdens het gesprek is de Captain voortdurend in de weer met wasco en tekenmap en fabriceert de ene na de andere abstracte tekening. Toevallig aanwezige ingrediënten als koffie en sinaasappelsap worden als extra kleurstof gebruikt. Ondertussen klaagt hij over zijn chronische gebrek aan geld (‘Weet je wat verf kost, vandaag de dag?’) en de slechte muziek die er anno 1983 gemaakt wordt. ‘Muziek is een irritatie. Neem de gitaar, die dingen irriteren me mateloos.’ En áls er ergens iets goeds gemaakt zou worden, zou ’t hem wel zijn opgevallen. ‘Iemand attendeerde me laatst op een groep met de naam Dead Kennedys. Afgrijselijk, afgrijselijk! Zo’n naam durven te dragen en dan niet héél goed zijn. Vreselijk!’

Deel dit artikel

Meest gelezen artikelen

Pearl Jam brengt nieuwe single 'Dance of the Clairvoyants' uit
nieuws

Pearl Jam brengt nieuwe single ‘Dance of the Clairvoyants’ uit

Pearl Jam kondigde op 27 maart zijn nieuwe album Gigaton aan. Nu geeft de band ook een eerste voorproefje van ...
Eefje de Visser: 'Het dancepubliek is zó positief, ik hou van dat optimisme'
interview

Eefje de Visser: ‘Het dancepubliek is zó positief, ik hou van dat optimisme’

Ze zeggen dat empatische mensen sterker geneigd zijn dialecten en accenten over te nemen. Als dat waar is, dan zit ...
The Strokes derde headliner op Best Kept Secret
nieuws

The Strokes derde headliner op Best Kept Secret

The Strokes zullen de zaterdag van Best Kept Secret headlinen. Dat kondigde de nieuwe festivaldirecteur Maurits Westerik woensdagavond live aan op ...

Een historie in honderdtallen: OOR #300 (1983) (achtergrond) | OOR