Al een aantal jaren duikt Madison Cunningham op in liedjes van grote namen. Ze zong samen met onder meer Rufus Wainwright en Lucy Dacus en bracht vorig jaar met Andrew Bird Cunningham Bird uit, een coverversie van Buckingham Nicks. Haar stem past in die duetten vaak wonderwel, soms meekleurend, dan weer leidend.
Dat de Amerikaanse ook solo goed uit de voeten kan, bewees de Grammy voor haar vorige album Revealer (2022). Haar derde langspeler Ace is een grote sprong voorwaarts, vooral wat betreft de arrangementen. Gitaar of piano zijn de basis, strijkers en verschillende soorten blazers zorgen voor verdieping in de gracieuze en melodieuze folkpopliedjes. Cunningham, die de plaat zelf produceerde met Robbie Lackritz (o.a. Feist), zingt over de liefde, die ze verloor en toen hervond.
De liedjes doen denken aan Laura Veirs, Joni Mitchell en Suzanne Vega, muzikaal maar ook in tekstuele openhartigheid. Violen zorgen voor een mooie spanningsopbouw in Skeletree, met een zwierig motiefje in het refrein. Een klarinet blaast lucht in Mummy en maakt het tegelijkertijd een ontroerend liedje. Take Two opent met een pianopartij die herinnert aan Joni Mitchell. Dat doet ook het gedragen Shore, waarin ze zich weigert neer te leggen bij het einde van een relatie. Wake is een subtiel duet met Fleet Foxes’ Robin Pecknold. Cunningham moet nog 30 worden, maar levert met het prachtige Ace een intense, doorleefde plaat af.