Wait no more, Mumford & Sons is terug. Het Londense kwartet dat razendsnel uitgroeide van kroegbandje tot een met Awards overladen headliner op grote podia en festivals handhaaft op de opvolger van succesdebuut Sigh No More het geluid dat ze faam bracht. Veel nummers op Babel, wederom geproduceerd door Markus Dravs (Arcade Fire, Coldplay), zullen de trouwe fans bekend in de oren klinken, want waar test je beter of je liedjes een mensenmassa aan het dansen, zweten en misschien zelfs huilen krijgen dan tijdens een liveshow? Eenieder die ooit bij een concert van Mumford & Sons was, weet dat het dak eraf gaat. Dat wil de band graag zo houden en dus staat Babel weer vol met kleine singer-songwriterfrutseltjes die binnen de minuut ontaarden in dramatische stoempfolk – nummers als I Will Wait en Hopeless Wanderer, met refreinen die het best tot hun recht komen als ze uit tienduizend kelen tegelijk klinken.
Het is muziek die doet denken aan een dam waarvan de sluizen afwisselend openen en sluiten: lullig stroompje, stortvloed, lullig stroompje, stortvloed. Zo werken de Londenaren onder aanvoering van geboren frontman Marcus Mumford, die het vuurtje maar wat graag opstookt en wiens stem doet vermoeden dat hij tijdens het zingen steevast zware fysieke arbeid levert, van climax naar climax. Tussendoor zijn er uiteraard genoeg momenten van reflectie, zoals Ghosts That We Knew en Reminder, om een beetje op adem te komen. Je moet er tegen kunnen, drie kwartier onversneden pathos in een bluegrassjasje, maar dat doet niets af aan het feit dat het werkt. De zinnen worden geprikkeld. Er zal hoe dan ook worden gedanst, gezweet en gehuild. Dat het hier en daar riekt naar effectbejag is bijzaak: Sigh No More heeft met Babel de opvolger gekregen die het verdient.