De Ty Segall-opbrengst van de afgelopen tweeënhalf jaar: koortsachtige protopunk en psychedelica (Three Bells), een onbegrijpelijk hoorspel (Love Rudiments) en vrij luchtige westcoastpop (Possession). Natuurlijk blijft de carrière van de rocker uit Californië mede boeiend omdat hij elke keer weer een andere insteek of benadering uit de hoge hoed tovert. Maar voor album nummer achttien heeft hij zijn eigen Crazy Horse weer bij elkaar geroepen: gitarist Emmett Kelly, bassist Mikal Cronin, drummer Evan Burrows en toetsenist Ben Boye.
Daardoor klinkt Chrome juist vanaf het eerste ronkende orgel en de eerste fuzzy gitaarriff in Hospital vertrouwd. Deze melodieuze, tussen protopunk en garagerock balancerende vintage rock is waar je Ty Segall mee associeert. Zo klinkt hij live, en live is hij goed. Chrome houdt het compact, met puntige beukers als Running To Nowhere (Black Sabbath meets Jay Reatard) en Black Paint. In iets langere stukken – boven de vijf minuten houdt het op – doen Segall en Kelly een paar scherpe gitaarduels, maar eindeloos improviseren is deze keer uit den boze. De hele band is op hol geslagen in de doldwaze titelsong, waarin Segall filosofeert over zijn dood, terwijl hij op de hielen wordt gezeten door een briljante riff van Kelly en Burrows een verwoestende Motorik-beat uit zijn drumstel trekt. Het verfrissend gewone Chrome komt met stip binnen in het linkerrijtje van Segalls discografie.