Sinds Speak & Spell uit 1981 verkocht Depeche Mode meer dan 100 miljoen platen. Toch zijn deze stadionvullers op een vreemde manier altijd outsiders gebleven. Twintig jaar geleden verscheen Songs Of Faith And Devotion, Depeche Mode’s eigen Achtung Baby en muzikale ticket naar nu.
Het is de plaat die ervoor zorgde dat Depeche Mode geen synthpopmuseumstuk uit de jaren tachtig werd, door met behulp van grimmig klinkende gitaren en schurende synths een nieuwe vorm voor de duistere insteek van de band te vinden. Er is een rechtstreekse lijn te trekken naar het dertiende album Delta Machine, dat net als voorgangers Playing The Angel (2005) en Sounds Of The Universe (2009) werd opgenomen met sterproducer Ben Hillier (Coldplay, Blur). Vermeldenswaardig, want Depeche Mode klonk zelden effectiever dan op Delta Machine.
De codewoorden zijn donker en gestript: de ronkende synths, zware bassen en beats, bluesy gitaren en getergde zang van David Gahan zijn van alle franje ontdaan en de unheimischesfeer is subliem. De randvoorwaarden voor een Grote DM-plaat zijn er dus, maar nadat de dubstepbassen van het spannende Welcome To My World je de plaat hebben ingetrokken, ontvouwt Delta Machine zich als een vitale maar compositorisch vooral degelijke herhalingsoefening. De gitzwarte blues van Angel, het gospelrefrein in Heaven, het aan Devotion refererende Slow, het muzikale palet is bekend maar levert geen nieuwe klassiekers op. Gejaagde stukken als Secret To The End en My Little Universe maken de trip nog spannend maar dat blijft niet het volle uur zo. Na ruim dertig jaar heeft Depeche Mode zijn geluid geperfectioneerd, maar ontbreekt het aan compositorisch vuurwerk. Typische veteranenkwaal natuurlijk.