O kosmische ironie: het nieuwe album van Destroyer verschijnt vlak na de dood van Walter Becker. In de ruim twintig jaar van hun bestaan is het collectief rondom Dan Bejar langzaam maar zeker uitgegroeid tot de Steely Dan van de indierock.
Die ontwikkeling loopt trouwens parallel aan een algehele herwaardering van de klassieke rock uit de jaren zeventig en tachtig: waar de decadentie en het gelikte perfectionisme van dergelijke bands ooit een hele generatie met afschuw vervulden, wordt hun muzikale verfijning nu alom gewaardeerd en steekt zelfs een hipstersite als Pitchfork doodleuk de loftrompet over de overleden Dan-man.
Ken is het logische vervolg op Kaputt (2011) en Poison Season (2015) en bevestigt daarmee dat Destroyer z’n stiel heeft gevonden, leunend op het contrast tussen enerzijds de onvaste zangstem en letterlijk onnavolgbare teksten van Dan Bejar (‘Come one, come all, dear young revolutionary capitalists / The groom’s in the gutter and the bride just pissed herself! / I’ve been working on the new Oliver Twist’, heet het in openingsnummer Sky’s Grey) en anderzijds het raffinement en de souplesse van de geoliede rockmachine achter hem.
Daarbij is Steely Dan zeker niet het enige referentiepunt; in avontuurlijke nummers als Tinseltown Swimming In Blood en A Light Travels Down The Catwalk zijn evenzeer echo’s van de vroege Roxy Music te horen. Volgens de persinformatie is het door Josh Wells (Black Mountain) geproduceerde Ken niet als bandalbum bedoeld. Nu de plaat wel degelijk onder de Destroyer-vlag verschijnt en zo’n beetje alle groepsleden als begeleiders opduiken, is de vraag wat het verschil met een ‘normale’ Destroyer-plaat eigenlijk is. Wat doet ‘t ertoe. Of het nu van de band of van Dan Bejar solo is, Ken vormt een meer dan voortreffelijke aanvulling op het oeuvre.