Logan Kane is eerst en vooral bassist, en dat zullen we weten ook. De twintig nummers op dit album – zijn vierde soloplaat – zijn kort op het fragmentarische af en barsten van de ideeën, wendingen en vooral bassen. Dragend, ploppend, funkend. Logan Kane is een nerdy ogende twintiger die de nodige indruk heeft gemaakt in verschillende scenes in thuishaven Los Angeles, van jazz tot punk en punkfunk. Dat zit allemaal in deze twintig nummers – en meer.
Thundercat lijkt een belangrijk rolmodel en af en toe is het alsof de jonge Kane een complete Zappa-platenverzameling heeft geërfd. De ideeënrijkdom die uit elk van deze nummers – hoe kort ook – opdoemt is imponerend, maar ook wel wat vermoeiend op termijn. Maar ach, waarom één idee in een nummer stoppen als er ook twintig in passen? En die passen steeds, net. De zang, vaak niet meer dan al te simplistische kretologie, is toch een beetje de achilleshiel, al werkt ’t weer heel aardig in bijvoorbeeld een strak funknummer als No One’s Counting. Je raakt wel benieuwd naar hoe deze man klinkt in een meer instrumentale context, met wat subtieler gedoseerde muzikale ideeën die niet over elkaar lijken te struikelen. Maar die bizarre, creatieve overdaad heeft ook wel weer iets heel charmants. Al heb je wel meer nodig dan een minuut stilte om hiervan bij te komen.