Een ode aan het levenslied – ook het achttiende album van Vlaming Guido Versmissen (73) is niets meer en niets minder. Hij zag pas rond zijn 30ste het licht. Na twaalf jobs en dertien ongelukken werd Belcanto zijn achternaam en hij straatzanger. Binnen vooral, in een territorium van marginale volkskroegen waar hij welkom was. Hij zong Witte Rozen van de Zangeres Zonder Naam en zag dat er een vrouw begon te wenen.
Achter de hoes van Het Paviljoen Der Menselijke Driften ontvouwt zich een verzameling liedjes die aantonen dat Belcanto een neus heeft voor songs die ontroeren, verwonderen of, naast een traan, ook een glimlach kunnen oproepen. ‘Ik heb gehoord dat ze je zei dat ze seks had met je beste vriend / Dat het de beste seks van haar leven was bovendien / Ze kusten en kusten, ze deden het in je eigen bed / Het is een klap op je kop, je vertrouwde haar tot en met / Dat ze het met hem deed is iets dat je misschien vergeven kan / Maar dat ze zei ‘de beste seks van mijn leven’ is er teveel aan.’
Het is een vrije vertaling van Kick In The Head van Loudon Wainwright. Een zelfde kunststukje haalt hij uit met The End Of The World van Skeeter Davis en The Days Of Pearly Spencer van David McWilliams. Maar bovenal schitteren hier vier composities die Johnny Hoes schreef voor Mary Servaes, onze koningin van het Nederlandstalige levenslied. Als Ik Je Zon Niet Kan Wezen is zelfs omgevormd tot een postuum duet.