Naast mijn uit de hand gelopen hobby als muziekrecensent voor OOR verdien ik de kost als meewerkend leidinggevende in de zeer intensieve gehandicaptenzorg. Ik kan op heel veel verschillende manieren vertellen wat die baan inhoudt, maar heel grof gezegd komt het erop neer dat ik een expert ben in het omgaan met complete mafketels die echt heel, heel, heel gek gedrag kunnen laten zien. Over deze in afgesloten panden midden in uw wijk verstopte mensen lees en hoor je nooit iets in de krant. En over de dingen die ik in mijn werk tegenkom, worden echt geen liedjes geschreven, dacht ik altijd.
Maar toen luisterde ik naar C’est La Vie, een stampend moppie indierock van een Nijmeegse cultband die toevallig ook nog eens dezelfde nickname als drie van mijn cliënten draagt. Kaboutertje Putlucht. En de intensieve zorgmedewerker in mij voelde zich voor het eerst gehoord. Op dit derde nummer van hun debuutplaat zingt men namelijk wat mijn meest luie medewerkers ook altijd zeggen wanneer ik in een escalatie beland met een bijtende bejaarde, of Kareltjes slaapkamer opentrek en zie dat hij zijn wanden weer eens heeft beschilderd met poep. ‘Ik wil je helpen! Maar ik kan er zelf niet tegen!’
Zo staan er overigens nog veel meer teksten op Hoe Diep Is Een Put? die herkenbaar zullen zijn voor lijpo’s, tokkies, wietknippers en al het andere schorem in de wijken rondom de stations, plus hun begeleiders en behandelaren. Hulpverleners zien ze er genoeg, het beroep van keuze is er de Wajong, maar niemand die er echt hulp nodig heeft, hoor. Daarover gaat dan weer openingstrack GGZ, waarin de geestelijk gezondheidszorg wordt uitgelachen. ‘Met z’n allen therapieën, GGZ moet geld verdienen’, rijmt men over een hysterische combi van priemende electro en uit de bocht vliegende gitaarsolo’s.
Voor een paar liedjes lijkt Kaboutertje Putlucht best geinig gemutst, maar van een band die z’n muziek beschrijft als ‘therapie voor laagopgeleiden’ kon je op voorhand natuurlijk al verwachten dat de goede ideeën even snel zouden opraken als de zware shag van Ome Tonnie. Zo is de grap van gabberkrautrockgedrocht Crematie dat er van een barbecue wordt gesproken. Drie pillen, twintig bier en schreeuwen maar naar dat lijk. ‘De fik erin!!!’ Kaboutertje Putlucht is kortom als Goldband, maar dan van buiten de Randstad: veel platter en een heel stuk goedkoper.