Alcest: love ‘em or hate ‘em. Of ergens ertussenin. Want liefhebbers van prog-, black- en postrock, shoe- en dreamgaze en zelfs indie kunnen óf weglopen met de band óf weglopen van de band. En die reactie kan per plaat weer verschillend zijn.
Dan zijn ze weer te dromerig (Shelter uit 2014), dan weer te hard (de vorige plaat Spiritual Instinct uit 2019). Op dit zevende album lijken de Fransen al hun fans in de kruiwagen te houden. Elk aspect van het verleden van de band klinkt in gelijke delen door. Wel zetten ze je meteen bij het eerste nummer op het verkeerde been: wanneer Komorebi de opbouw naar een – verwachte – schreeuw heeft afgerond, krijgt de nietsvermoedende luisteraar opeens een kinderkoor te verstouwen. Uiteindelijk krijgt de opener in het refrein wel een blastbeat mee. En ook die schreeuw komt er wel, maar dan zijn we al zes minuten in opvolger L’Envol. En zo blijft Alcest spelen tussen blastbeats en zalvende koorzang van frontman Neige, extatische postrock en gitaren als cirkelzagen, met Améthyste en L’Enfant De La Lune als klinkende voorbeelden. Alcest lijkt op Les Chants De l’Aurore de ideale mix gevonden te hebben voor hun eigen cocktail.