’There’s a party in my head and no one is invited’. Kevin Parker, 2010. En wat een feestje moet dat nog geworden zijn na de intercontinentale fanfare van loftoeters die volgde na Innerspeaker. Het heeft zijn zelfverzekerdheid goed gedaan. Op Lonerism overklast hij op alle fronten zijn toch al geprezen debuut.
Waar hij op Innerspeaker nog klonk als een muzikant die zeer geconcentreerd aan één geluid werkte, durft hij nu meer risico’s te nemen in het neopsychedelische landschap dat hij verovert heeft met Tame Impala. De Australische loner heeft al vaker gezegd dat hij graag danst op Kylie Minogue als niemand kijkt. Dat probeert hij niet meer te verstoppen onder een dikke laag galm. De melodieën zijn directer, vrijer, explosiever. Ze dobberen niet meer mee met de geluidsgolven maar blijven trots overeind, terwijl flangergitaren en synthesizers er krachtig tegenaan kletteren.
Synthesizers ja, want nadat hij alle gitaareffecten wel zo’n beetje aan zijn effectenbord genageld had, was tech head Parker toe aan een nieuw speeltje. Het instrument domineert Lonerism, immer begeleid door een melodische baslijn. Zo heeft elk nummer op het album wel een element dat het onweerstaanbaar maakt. Popgevoeligheid zonder ook maar iets aan experimenteerdrift en vrijheid in te leveren. Parker heeft de controlfreak in zich overwonnen. Zijn innerlijke Roger Waters maakte plaats voor Syd Barrett. Luister de schitterende single Elephant maar eens, een hedendaagse Astronomy Domine. Hij tilt zijn muziek naar een op zichzelf staand niveau dat we voorheen alleen van Barrett kenden: merkwaardig, maar merkwaardig genoeg normaal.