Twee soloalbums. Meer had Phoebe Bridgers niet nodig om uit te groeien tot een van de invloedrijkste singer-songwriters van haar generatie. Met debuut Stranger In The Alps (2017) en doorbraak Punisher (2020) smeedde de zangeres uit Pasadena een volstrekt eigen, ingetogen geluid en werd de lieveling van de indiepers.
Op Lost Weekend – waarop we ruim zes jaar moesten wachten – verrast Bridgers met forser aangezette arrangementen. Bobby geeft serieus gas, de titeltrack slaat halverwege om en Kill Me gaat zelfs zo ver dat het klinkt alsof de stoppen doorslaan. Stuk voor stuk tracks met vlees op de botten. Het contrast met Bridgers’ serene zang werkt wonderwel. Jammer dat ze die koers niet wat langer vasthoudt.
In de tweede helft (het album duurt bijna een uur) keert de intimiteit terug. De songs – met die typische breathy, hushed vocalen – zijn ingetogen en zitten, net als op haar eerdere solowerk, dicht op de huid. Onder de oppervlakte gebeurt hier ook van alles met strijkers, samples, vervormde stemmen, synths, blazers en subtiele elektronica, maar niets schreeuwt om aandacht. Alles wordt weer kleiner.
Tekstueel verspilt ze nog steeds nauwelijks woorden. Geen therapeutische ontboezemingen, maar gortdroge observaties vol zwarte humor. Veelzeggender dan op ijsbrekersingle Lost Boys wordt het eigenlijk niet: ‘This machine is killing me / I pretended it was make believe.’ Het illustreert haar afkeer van de aandacht die haar de afgelopen jaren achtervolgde. Misschien verklaart het ook de lange stilte na Punisher. Het mooiste aan Lost Weekend is dat Phoebe Bridgers, terwijl de wereld aan haar voeten ligt, nog altijd fluistert.