Het is niet eerlijk verdeeld in de wereld. Vaak is het op popplaten zoeken naar een enkel popliedje dat meteen blijft hangen én de tand des tijds wellicht gaat doorstaan. Heel soms kom je een album tegen waar in potentie bijna álle liedjes meteen beklijven en dat tijdloze van meet af aan in zich hebben. Zo’n album is No Rain, No Flowers.
De titel impliceert dat de mannen in kwestie, Dan Auerbach en Patrick Carney, uitdagingen en ontberingen nodig hebben om tot dit soort prachtige resultaten te komen. Ik verdenk de heren ervan dat zichzelf een tijdje opsluiten in een ruimte met een gitaar, wat toetsen, een drumkit en een simpel pick-upje met een berg ouderwets lekkere singles genoeg is om er na een week met elf kant-en-klare songs uit te komen. Pure magie, die twee samen. En met het jaar worden hun liedjes beter. Het enige wat The Black Keys dan rest is die elf liedjes samen met een aantal soulvolle medemuzikanten in een fatsoenlijke studio voor de eeuwigheid vast te leggen. Wie de ontwikkeling van het duo de laatste twintig jaar een beetje volgde, zal een paar keer met stomheid geslagen zijn dat deze – bij aanvang zo rauwe, diep in de blues en motorolie van hun postindustriële geboortestad Akron, Ohio gewortelde – muzikanten nu vanuit Nashville ook zoveel ander moois weten te produceren. Het zijn mannen met een missie. No Rain, No Flowers is, op een gevoelig slotakkoord na, niets meer of minder dan een verzameling krachtige drieminutenpopsongs waarin al het goede van rock & roll, indierock en oude soul samenkomen. Meesterlijke melodieën, fijne koortjes, maar ook geregeld een smerige gitaarsolo, want ook dat is Auerbach nog altijd niet verleerd. De songs klinken rauw, dynamisch, doorleefd en verrassend catchy. Allemaal hits dit jaar op festivals als Cactus en Bospop. Dat moeten volgend jaar weer Rock Werchter en Pinkpop zijn. Heel laat op de avond.