Na alle heisa rond de tweet van Yeşilgöz, de aandacht voor zijn alcoholverslaving en het geneuzel over de drie kinderen die hij in een jaar tijd bij drie verschillende vrouwen verwekte, kunnen we inmiddels wel stellen dat Douwe Bob Posthuma bekender is van zijn ‘schandaaltjes’ dan om zijn muzikale output.
Dat dit niet alleen aan de onuitputtelijke hongerigheid van het sensatiebeluste Nederlandse mainstream mediapubliek ligt, kunnen we dan weer concluderen na het beluisteren van Outcast Town, het zevende album van de oorspronkelijke winnaar van De Grootste Singer-Songwriter van Nederland. Zoals het een artiest betaamt die volgens Giel Beelen ergens ‘de grootste’ in is, is het talent van Posthuma microscopisch klein.
Douwe Bob is Kensington in solovorm: hetzelfde kunstje eindeloos in de herhaling. Zijn poppy countrysongs klinken allemaal hetzelfde: droog en emotieloos. En hoewel hij een prima stemgeluid heeft, is hij de laatste jaren steeds meer gaan leunen op zijn producers, die zijn zang soms een bijna autotune-achtig randje lijken te geven. Het verschil tussen Outcast Town en zijn voorgangers is dat Douwe Bob er een schepje Kensington bovenop heeft gedaan. De wo-oh-oh’s zijn niet aan te slepen. Zachtaardige liedjes als Tired Eyes en Photographs zorgen voor de nodige afwisseling, maar zijn tegelijkertijd dertien in een dozijn.