‘Yeah well, I had a dream once…’. De liedjes van Kurt Vile beginnen vaak ergens halverwege, alsof je een gesprek onderbreekt. En dat kan kloppen, want bij de laconieke slackerrocker lopen huishouden en werk door elkaar. Zijn studio is geen heiligdom maar een ruimte waar andere muzikanten binnenvallen, iemand iets zoekt en een gitaar in de weg staat. Ook zijn dochters duiken er soms op, simpelweg omdat ze er wonen.
Philadelphia’s Been Good To Me, zijn tiende soloalbum, klinkt opnieuw heerlijk laidback met een zon die nooit ondergaat. Logees blijven hangen om een ukelele te bepotelen, een jonko te rollen of op een toeter te blazen. Vile’s slepende Philly-tongval, ergens tussen spreken en zingen, zwabbert loom door het spectrum en hangt steevast achter de tel. Teksten lijken ter plekke verzonnen. Af en toe duikt er iets grimmigs op (‘Smoke comes out of my ears / My brains are burning’) of iets sombers (‘If I could just leave myself alone / Quit thinking’), maar het album is vooral doortrokken van genegenheid (‘Got love in my life / And three girls on my side’). De tracks zijn ogenschijnlijk spontane vlechtwerkjes van gitaren en pianoriedels die soms hoorbaar uit elkaar vallen. Zelfs de gitaren hebben een licht Philly-accent. Vile blaast de pluisjes van een uitgebloeide paardenbloem: ‘That dream I had… was about you’.