Het is bijna ironisch hoezeer Kim Gordon, toch iemand die al haar hele leven in de frontlinie van de vooruitstrevende muziek rondhangt, zich in haar teksten afzet tegen de hedendaagse symbolen der ‘vooruitgang’: AI, gemakscultuur, social media, techmiljardairs en de wildgroei aan playlists bijvoorbeeld. Maar goed, die aanhalingstekens stonden er dan ook niet voor niets.
En ironie is nu eenmaal een geliefde stijlfiguur voor het inmiddels 72-jarige indie-icoon, soms op het hilarische af: de manier waarop ze met haar karakteristiek hese praatzangstem (standje ‘net niet buiten adem’) in Dirty Tech de woorden ‘I like it when you talk dirty tech to me’ spreekt is priceless. Op Play Me, het derde soloalbum dat ze maakte met producer Justin Raisen, verkent ze intussen vertrouwd terrein, al zijn de songs en beats gestroomlijnder en is de ‘alles moet kapot’-geluidsbenadering van voorganger The Collective weer wat op een zijspoor geraakt.
Maar toegankelijke muziek is het nog steeds niet: duistere trapbeats vormen doorgaans de basis, daaroverheen ligt een abstract tapijtje van drones, samples, feedback, stemmen en af- en aanwaaiende atmosferische storingen, soms heel subtiel en onnadrukkelijk. Koppel dit aan de soundbyte-achtige teksten van Gordon en je zit ineens dicht bij het idioom van wijlen Mark Stewart: vilein en impulsief, en omringd door omineuze geluidsdecors, maar qua delivery altijd precies fragmentarisch en suggestief genoeg om te blijven boeien.
Al wordt dat laatste op Play Me ook in de hand gewerkt door de korte duur: de twaalf tracks passeren in nog geen dertig minuten. Gedurende het laatste deel van de plaat, als de relatieve eenvormigheid van de nummers tóch een beetje begint op te vallen, bekruipt je het besef dat dat half uurtje eigenlijk ook wel voldoende is. En dat het muzikale punt na drie albums misschien wel is gemaakt.