Mumford & Sons was natuurlijk nooit de meest authentiek overkomende rootsband, maar er was een tijd dat de heren er in ieder geval zoveel plezier in hadden dat de act die ze opvoerden oprecht overkwam. Leuk is het echter al jaren niet meer geweest bij de Britten, die sinds het inmiddels alweer twaalf jaar oude Babel geen enkele plaat van waarde meer hebben uitgebracht.
Het wilde Marcus Mumford en zijn maten maar niet lukken om nog iets te maken dat vlam kon vatten. En om maar meteen met de deur in huis te vallen: op zesde album Prizefighter, waar zo weinig mensen naar uitkeken dat er een kleine maand voor de verschijningsdatum nog niet eens een Wikipedia-pagina voor was aangemaakt, lijkt het vuur ook echt definitief te zijn gedoofd.
Het probleem is niet dat Mumford & Sons geen mooie nummers meer kan schrijven. Conversations With My Son, waarin fraai wordt opgebouwd naar een gevoelig gezongen climax, het nerveuze en sfeervolle Alleycat, zelfs het catchy doch suf getitelde The Banjo Song – het zijn wellicht niet de meest creatieve songs, maar wel prima liedjes.
Het probleem is wel dat er over alle liedjes een laagje plasticfolie lijkt te zitten. Alsof het kliekjes betreft van een makkelijk bereide maaltijd. Nooit bedoeld om echt van te smullen, vooral bedoeld om op te warmen. Dat Mumford & Sons uit de Eredivisie is gedegradeerd naar de amateurs blijkt pijnlijk duidelijk uit de samenwerkingen die de band op Prizefighter aangaat. De rol van Justin Vernon (Bon Iver) in de titeltrack blijft beperkt tot extra stem in het refrein, maar zijn warme aanwezigheid maakt van die refreinen de mooiste momenten van de hele plaat, en wellicht zelfs het hele oeuvre van Mumford & Sons sinds Babel.
En in dertien-in-een-dozijntjes Here en Rubber Band Man laat Marcus zich aftroeven door respectievelijk Chris Stapleton en Hozier, niet bepaald de allergrootste supersterren of vocale powerhouses in het poplandschap. Zeggen dat Prizefighter een betere plaat is dan de vorige is als zeggen dat de droge boterham met pindakaas van vandaag lekkerder was dan die van gisteren. Maar het is wel het enige compliment dat ik kan geven.