Vlak voordat ik aan deze recensie begon, kocht ik op een markt een driehoekig klaptafeltje met een muziekdoosje erin, dat gaat spelen als je ‘m open doet. Pure kitsch, een 20ste-eeuwse pastiche van 19de-eeuwse romantiek die ook al een pastiche was, maar ik kocht ‘m meteen, want het is een leuk ding. Dat is een perfecte metafoor voor deze heruitgave van Strange But True uit 1998. Een curieus werk waarop Jad Fair, bekend van Half Japanese, een verzameling absurde verhalen uitspuugt, ondersteund door de rammelende gitaren van Yo La Tengo.
Zich baserend op bizarre krantenkoppen vertelt Fair over gepensioneerde groenteboeren, behangende apen en vervelende schoolhoofden. Aan de 22 liedjes die dit opleverde, zijn geen popjuweeltjes verloren gegaan – de begeleiding is dronend artsy. Op de beste momenten denk je aan The Velvet Underground, de rest van de tijd aan het avondeten. Nergens krijg je het gevoel dat hier een verloren meesterwerk is opgeduikeld. En toch: de plaat heeft iets onweerstaanbaars.
Stammend uit een tijd dat die gekke zilveren schijfjes als warme broodjes over de toonbank vlogen en labels zich een experimentje konden permitteren. Dan zet je wat excentriekelingen bij elkaar en krijg je dit: een vreemd curiosum dat eigenlijk nergens goed voor is en zelfs in zijn oorspronkelijke vorm verre van onmisbaar was, maar dat toch een enorme aantrekkingskracht uitoefent op idioten zoals ik.