Al gedurende de hele loopbaan van Nothing But Thieves merk je aan alles dat Conor Mason en zijn mannen heel graag een Grote Rockband wilden worden, soms op het wanhopige af. Op het titelloze debuutalbum uit 2015 ging Masons falsetstem al meermaals over de kop, maar toch vond de band ieder album nog een overtreffende trap: de refreinen konden altijd nog harder galmen. Inmiddels staan volgend jaar de vierde en vijfde headlineshow in de Amsterdamse kolos op de planning en kwam de band al door de headlinerkeuring op Pinkpop en Down The Rabbit Hole. Kortom, missie inmiddels ruimschoots geslaagd.
Dat alles terwijl de matige conceptplaat Dead Club City (2023) met afstand het minst succesvolle wapenfeit tot nu toe was. Met Stray Dogs herpakt de band zich behoorlijk. Deze keer geen halfslachtig concept en geen dito pogingen om met kitscherige eighties-synthesizers een soort nieuw geluid uit te proberen, maar gewoon twaalf overwegend stevige nummers die de Ziggo Dome moeiteloos op z’n kop zullen zetten, zonder dat de band terugvalt op effectbejag.
Waar alle ballads op de voorganger klonken als doorzichtige pogingen om in de buurt te komen van hits Sorry en Impossible hebben de rustigere nummers hier meer om het lijf dan enkel een suizend galmrefrein. Pas in afsluiter A Different Kind Of Happiness gaat Masons kopstem weer eens ouderwets door de geluidsbarrière heen, maar dat voelt als climax van het album wel op zijn plaats.
Toch zijn de prijsnummers hier de venijnigste: Testosterone, AI Jesus en American Confidence zijn stuk voor stuk rocknummers waar menig andere stadionact jaloers op zou mogen zijn. Nothing But Thieves klinkt hier niet meer als een band die heel graag een Grote Rockband wil zijn, maar als een Grote Rockband die zijn beste beentje voor zet om die status te behouden. Een geslaagde transformatie.