In de week dat het recensie-exemplaar van Superbloom op de deurmat viel, was er in Californië een daadwerkelijke superbloem te bewonderen. Duizenden bloemen bloeien dan tegelijk op een plaats waar je ze niet verwacht: midden in de woestijn. Het is een zeldzaam en indrukwekkend verschijnsel, waarvan je zin krijgt in gemeenschap. Seks. Ketsen. Neuken. Rampetampen. Of in ieder geval krijgt Jessie Ware daar zin in, want ze doet nog eens een schepje bovenop de suggestieve popliedjes van haar vorige twee albums.
De op klassieke leest geschoeide dancepop is immer aanstekelijk, maar voor het eerst is er ook uitputting. De uitnodiging in I Could Get Used To This liegt er al niet om: ‘Let me know what feels right / I’ll show you what feels nice.’ En dit is slechts het softe voorspel. ‘If you wanna last longer / I don’t need faster / I need stronger’, zingt ze in Sauna. Nog erger: in het met een heel herkenbaar stukje Ennio Morricone versierde Ride toont ze zichzelf een – godverdomme nondeju – cowboy. U merkt, ik heb het moeilijk. De vrolijke knipoog is omgeslagen in hysterisch lachen om iemand die ergens ‘zin’ in heeft. Toch, als de lolligheid wijkt, zijn er ook écht mooie liedjes te vinden. Love You is een liefdesliedje waar er nooit genoeg van kunnen zijn en 16 Summers viert de kleine gewoonheid van het gezinsleven. Dan is ineens de muziek ook anders, kleurrijker, plechtiger, mooier. En dan, als apotheose, rijmt ze ‘give me more’ op ‘mon amour’ – en zijn we weer terug bij af.