Het is altijd de stem die het wapen zal zijn: Jonathan Meiburg die hoog, een tikje geknepen en met veel theatrale precisie over de golvende muziek heen zweeft. Dat was het wapen in 2006, op het geweldige Palo Santo, en dat is het twintig jaar later nog steeds.
De wereld is veranderd, muziek ook – Shearwater kwam toen op het goede moment, mijmerend over eenzame eilanden, bossen, heilig hout, vogels, het soort diep-romantische en sprookjesachtige indie dat aan het eind van de jaren nul de smaak van de dag was. Maar Meiburg ging en gaat verder dan de oppervlakte – hij is naast liedjesschrijver ook ornitholoog. Hij houdt van al dat vliegt, schreef er een boek over en gaat op reis naar Antarctica, op zoek naar leven onder water. Het traject van Shearwater lijkt best op dat van Talk Talk: je hebt maar een minuut nodig om de inspiratie te horen. De folk is nog onderdeel van het DNA, maar het lichaam is gegroeid, uitgestrekt en verwrongen – het is muziek die in een museum thuishoort, maar telkens als de afstand te groot dreigt te worden een klap of trap uitdeelt of de nagels uitsteekt. Als we bijna in slaap gewiegd worden door de melodie van More And More is daar het wervelende einde en de schreeuw van Daydream Unbeliever. En na de aangename hypnose van A Mink In The Dusk komt drummer Thor Harris (we kennen ‘m van Swans) ons wakker beuken in The Only Sound I’m Afraid Of. The New World is eigenlijk een vervolmaking van de ook al niet onaardige voorganger, een eigenzinnig werk met uitgestoken hand, het brein en het hart in gelijke delen. Met een stukje spoken word van Laurie Anderson in de bijna briljante afsluiter. Maar die mag u zelf ontdekken.