Stiekem is Underoath een van de meest invloedrijke metalcorebands van deze eeuw; vooral vierde album They’re Only Charing Safety (2004) is een standaardwerk in het genre. Maar ook Underoath moet met z’n tijd mee en de screamo van vroeger is ingeruild voor, tja, van alles eigenlijk.
Opener Generation No Surrender is mokerhard, een track om bang van te worden. Op een goede manier. Single All The Love Is Gone is dan weer mierzoet, met lelijke synths en een slechte tekst. In Teeth proberen de heren ineens drum & bass. Moeten ze niet willen. Dat lijken ze zelf halverwege het nummer ook te realiseren, want tegen het einde is het ‘gewoon’ weer lekker hard. Logisch wel dat Underoath nieuwe dingen probeert, want probeer maar eens anders te klinken dan al die andere metalcorebands. De sterkste punten van Underoath zijn de twee vocalisten. Frontman Spencer Chamberlain heeft nog steeds een van de vetste screams van de scene, terwijl drummer Aaron Gillespie de cleane vocals voor z’n rekening neemt. Het grappige is dat Underoath naam maakte als Christelijke band, later in z’n carrière afstand deed van het geloof, maar ook op het tiende album nog volop verwijzingen naar onze lieve heer maakt. Is niet erg, zelfs als overtuigd atheïst is het te doen. Geen wereldschokkend album, wel eentje waarmee Underoath laat horen niks onder te doen voor de Parkway Drives en Architects van deze wereld.