Kun je twintig jaar lang blijven behoren tot de ‘redelijk goed bewaarde geheimen van de Amerikaanse indierock’? Jawel hoor. Neem Spoon, het Texaanse kwartet rond zanger/gitarist/songschrijver Britt Daniel. Acht geweldige albums leverden ze sinds medio jaren negentig af (we doen eens gek en tellen They Want My Soul alvast mee), de verzamelde pers liep er – hand in hand met het fijnproeversgilde – steevast mee weg en kijk eens waar het Spoon anno 2014 heeft gebracht, althans in ons land: samen met hun lotgenoten van Sebadoh op een London Calling-avond (!) in Paradiso, straks in november.
Maar zoals ik in de recensie van voorganger Transference (2010) al schreef: het is misschien wel goed zo. Spoon is er niet voor de massa en de massa is er niet voor Spoon. Tenminste, ik zou geen geschikte massa weten. Ondertussen is er dus They Want My Soul, opnieuw van voor tot achter een typische Spoon-plaat. Tien niet al te hapklare songs in dik een half uur, weinig tot geen flauwekul (al is de cover van I Just Don’t Understand, in 1961 een hitje voor zangeres/actrice Ann-Margret, duidelijk een vreemde, Brits aandoende eend) en andermaal een hoofdrol voor die prettige gruisstem van Daniel. Belangrijkste verschil met Transference is het vollere geluidsbeeld, ongetwijfeld het gevolg van het inlijven van een nieuw bandlid, toetsenman Alex Fischel. Even wennen voor wie, zoals ik, fan was van de tot op het allernoodzakelijkste bot gestripte Transference-sound, die inderdaad wel zo’n beetje de ondergrens had bereikt: meer dan wat auditieve versiering kon je ‘t niet noemen wat zich rond Spoons gestaalde fundament van bas, drums en stem bevond. Maar het wezen van de groep wordt hier nergens aangetast: de drive, de funk, de hooks, de eenvoud, de melodieën, de discipline – alles doet ‘t nog en een leven zonder krakers als Rainy Taxi, Do You en het heerlijk duwende en stuwende Outlier kan ik me nú al niet meer voorstellen.