Tussen liedje één (Let The Good Times Roll) en liedje 159 (When The Ship Comes In) zit iets minder dan zeven jaar. Aan de ene kant een piepende en krakende opname uit een muziekwinkel, het is 1956, je kon de lp meteen mee naar huis nemen. Groepje tieners speelt een klassieker, één kraait er nasaal bovenuit. Aan de andere kant een kraakheldere opname vanaf de prestigieuze planken van Carnegie Hall, 1963. Oorverscheurende mondharmonica, dezelfde nasale stem, die zingt over de toekomst, de hoop en de dingen die komen gaan, donderend applaus.
Aan de ene kant een jongetje, aan de andere kant de stem van een generatie die al moe begint te worden van zichzelf. Hoe zo’n jongen een profeet wordt? Het geheim wordt op dit achttiende deel van de Bootleg Series niet uit de doeken gedaan – dat zou ook jammer zijn – maar we hebben er weer een stapel geschriften bij waar de adepten zich over kunnen buigen, sporen in kunnen zoeken, betekenis aan kunnen geven.
De uitgebreide versie van deze verzameling telt liefst 159 liedjes uit huiskamers, studio’s en grote podia. Dylan bouwt aan Dylan, vanaf het begin al gefascineerd door het Amerikaanse archetype en het vaak Christelijke liedjesarchief, al meteen dedain voor New York en de aanstellerige hipheid. Hij spuugt de woorden als een zendeling die hij niet wilde zijn. Grappend ook: ‘Guitar!’ zegt hij voor een solo in het lollige Cocaine. ‘Bad guitar’, zegt hij nadat hij ‘m verkloot. Een fascinerende bundel met bronmateriaal die een klein stukje vertelt van het verhaal hoe Robert Zimmerman Bob Dylan uitvond.