Zo moet de brandende boom zich voelen als het blusvliegtuig overvliegt. De nieuwe soloplaat van Jeff Tweedy telt liefst dertig liedjes. Dertig! Het is wat de Wilco-frontman kan doen in tijden van turbulentie en angst: val de wereld aan met liedjes en vrienden en familie, iedere dag weer, net zo lang tot de wereld breekt.
Het levert een driedubbelaar op met een enorm hart. Tweedy fluistert, zingt, aait en snijdt. Soms raaskallend, zoals in Lou Reed Was My Babysitter, een vrolijke noiserocker voor in de beschaafde keuken. Dan is hij ineens ontwapend: in Throwaway Lines faalt het copingmechanisme. Jeff Tweedy is breekbaar en toont ons de scheuren. Dan zijn er liedjes als Amar Bharati of This Is How It Ends en komt al het Beatles-DNA als een reddingsboei naar de oppervlakte.
Ik zou meer liedjes willen bespreken, want ingezoomd blijken al die waterdruppels met aandacht en liefde gemaakt, ook al hebben ze allemaal de vorm van een waterdruppel. De bezetting is steeds klein; Tweedy’s twee zonen zitten in de band, aangevuld met vrienden en bekenden. Het kale, droge geluid is niet ver verwijderd van eerder solowerk, Sukirae in in het bijzonder, zodat de koortjes en sporadische ornamenten des te helderder blinken. Maar uitgezoomd is het de inhoud van een blusvliegtuig. Het geheel is dan minder dan de som der delen en de ene druppel loopt over in de volgende en die weer in de volgende, er is slechts een sporadische uitbarsting om de veelheid te doorbreken.
De cynicus verdenkt een vooropgezet plan: dit zijn dertig liedjes die stuk voor stuk een plekje kunnen krijgen in de Autumn Vibes-, Cozy Coffeeshop- of Blanketcore-lijsten die onze streamingvrienden aanbieden. Maar ik geloof Jeff Tweedy: met een druppel blus je geen brand ter grootte van de wereld, daar is meer voor nodig. Dertig knusse folkliedjes zijn misschien een begin, ook al klinken ze – in Tweedy’s eigen, niet van zelfspot gespeende woorden – als een song that never ends.