‘He’s at your door, let Him in’. Bijna een kwart eeuw nadat 16 Horsepower voor het eerst aanklopte bij de kerkzaal van Paradiso, is het americana-collectief uit Denver terug. Dat hun cultstatus intact bleef, blijkt uit een Facebook-reactie: ‘We probeerden kaarten voor Amsterdam te krijgen, maar het concert was binnen zes minuten uitverkocht.’ In 2005 trok David Eugene Edwards de stekker eruit wegens ‘politieke en spirituele verschillen’, al bleef het vermoeden hangen dat zijn religieuze bezetenheid de band had opgeblazen.
Daarna verdwenen ze langzaam uit de voorhoede van de duistere americana en folk noir, terwijl hun reputatie onderhuids doorgroeide tot een bijna sektarische cultstatus. Edwards ging verder met Wovenhand, Pascal Humbert en Jean-Yves Tola met Lilium, dat met Short Stories een van de mooiste zijwegen opleverde. Toch bleef boven alles altijd de lange schaduw van 16 Horsepower hangen.
Buiten de Verenigde Staten trad 16 Horsepower nergens vaker op dan in Nederland. Alsof hier eerder werd begrepen dat hun americana niets met nostalgie te maken had. Waar veel alt-countrybands grossierden in rootsromantiek, klonk 16 Horsepower alsof de songs waren opgediept uit een vergeten Amerika: eentje vol schuld, wantrouwen en southern gothic-misère. Juist daardoor trok de band altijd al een wonderlijke mengeling aan van folkfans, punks, goths en noisepubliek. In Paradiso zien we ze allemaal terug, grijs inmiddels, naast wat nieuwsgierige twintigers. Op één vierkante meter spot ik een countryblouse, een crucifix en een Roadburn-shirt.
Op het podium staat een batterij hollowbody- en semi-akoestische gitaren, een contrabas, een rijk versierde bandoneon en meerdere basgitaren, waaronder een doorleefde Fender Precision. Zelfs de effectpedalen hangen van tape aan elkaar. Van laptops of clicktracks is geen spoor te bekennen: alles draait hier om hout, snaren, lucht en resonantie. Ook een backdrop ontbreekt. Nergens banners of nodeloze podiumrekwisieten.


Tussen Perzische tapijten, kabels en losse stompboxen zoekt 16 Horsepower – aangevuld met een sessionmuzikant – zijn plek. Edwards’ tanige verschijning, met rancherhoed, veer en zilveren cowboylaarzen, doet denken aan een rondtrekkende geloofsijveraar. Geen toeval. Hij groeide op in een familie van Nazarene-predikers en trok als kind mee langs kerkdiensten in het Amerikaanse binnenland. ‘The devil’s brand is on my bones’: erfzonde, hellevuur en schuld zijn hem letterlijk ingebrand. Die jeugd zou zich later in 16 Horsepower vastbijten. ‘Every man is evil and every man’s a liar.’ Wij zijn allen zondaars.
De frontman neemt plaats op een kruk – iets wat hij altijd al doet – en daalt meteen af naar de krochten van het repertoire. De nadruk ligt op het vroege werk: negen nummers van Sackcloth ’N’ Ashes, vijf van Low Estate. I Seen What I Saw, Haw, Dead Run, Brimstone Rock, American Wheeze: zonder uitzondering songs waarin iedereen op de vlucht is voor zijn eigen geweten. Tracks die aanvoelen als hoofdstukken uit dezelfde nachtmerrie. Zijn stem haalt misschien niet altijd meer de hoogste regionen, maar balanceert nog steeds op de rand van preek en totale ontsporing.
Edwards lijkt niet gediend van fotografen. Vanaf zijn kruk schuift hij meermaals de hak van zijn laars voor hun lens. Edwards heeft een zichtbaar gespannen podium presence. Zo blijft zijn linkervoet de hele avond onafgebroken wiebelen – een compulsieve tic waarmee zijn lichaam voortdurend spanning lijkt af te voeren.
Hij vist voortdurend een ander instrument uit het donker. Favoriet zijn nog altijd de diatonische knopaccordeon en de laaggestemde octave mandoline, die zo uit een Mid-Missouri-catalogus lijkt te komen. Samen roepen ze het spook op van oude country en americana dat de hele avond door Paradiso rondwaart. 16 Horsepower ontdoet instrumenten stelselmatig van iedere vorm van gezelligheid. Zelfs een banjo klinkt alsof hij ruzie zoekt. Gitaren functioneren als extra stemmen die onderling communiceren. Edwards en Humbert glijden daarbij half over de frets, ergens tussen slidegitaar en glissando in, waardoor akkoorden gradueel onder de songs zakken.


De thematiek is bekend: gitzwart. Schuld, geweld, geloof, paranoia, zelfhaat, vernedering en morele ontregeling marcheren broederlijk door de tracks. God hangt er als almachtige boven. Het universum van 16 Horsepower biedt pas ruimte voor verlossing nadat iedereen eerst door modder, schuld en vernedering is gekropen.
Waar veel reünieconcerten omslaan in luid meezingende nostalgie en zelfs – God forbid – geklap, blijft Paradiso opvallend stil en geconcentreerd. Alleen tussen de nummers door klinkt gejuich en een incidentele roep uit het publiek: ‘Where have you been all these years?’ De vraag is legitiem maar blijft onbeantwoord: de band houdt verbaal afstand. Pas diep in de set doorbreekt Edwards de stilte met een droog: ‘Thank you for coming to watch us play.’
Heel af en toe duikt later werk op. Met Secret South verschuift 16 Horsepower zijn sinistere americana richting een trager, slepend folkgeluid, een beweging die op Folklore verder uitdroogt tot uitgebeende folk, traditionele americana en een intens troosteloze soberheid.
Publieksfavorieten als Wayfaring Stranger, Black Lung, The Partisan en Coal Black Horses blijven opvallend buiten beeld. Het geeft de avond iets eigens. Minder een nostalgische reünie op de automatische piloot, meer een band die afdaalt naar de spelonken van zijn verleden. Misschien valt juist daarom alles weer op zijn plek: 16 Horsepower klinkt na ruim drie decennia nog altijd als een band die elk moment kan imploderen. De dag des oordeels blijft onverminderd dichtbij. ‘Oh Lord, carry me home.’
Gezien: 27 mei 2026 in Paradiso, Amsterdam
Fotografie: Anne-Marie van Rijn