Een waaghals doet push-ups in het midden van de grote open plek voor het hoofdpodium, seconden voordat precies dáár de zoveelste wall of death wordt ontketend. Een ongewassen lijf met felgele Spongebob-sokken in houten klompen beukt door de menigte. Er zeilt een lege Skull-pul door de lucht. Aan de rand van de pit probeert een puber met een Rammstein-pet, met één oog op zijn telefoon, nog even die ene zeldzame Pokémon – lees: Dynamo – te vangen, terwijl zijn vader hem hoofdschuddend gebiedt de telefoon weg te stoppen voordat deze gekaapt wordt door de zoveelste crowdsurfer. Welkom op Dynamo Metal Fest.
Fotografie Andrea Beckers
Gaar en doorbakken. Het is héét. Het Eindhovense IJssportcentrum heeft nog het meest weg van een immens grote wegwerpbarbecue en is hooguit halfgevuld wanneer een enorme vogelschedel vanaf het podium neerkijkt op Amorphis. Bones opent het bal van de Finnen. Tomi Joutsen heeft vocaal niets ingeboet: ook de cleane zang op bijvoorbeeld Wrong Direction staat als een huis en op het melodieuze The Moon schakelt hij moeiteloos terug naar diepe grunts. Met de symfonische ondertoon en prominente toetsen heeft dat nummer nog maar weinig van doen met de deathmetal uit de beginjaren. En dan Black Winter Day. Was het maar zo’n feest. House Of Sleep en The Bee worden enthousiast meegezongen. Veranderen zonder je eigen gezicht kwijt te raken: Amorphis beheerst die kunst inmiddels uitstekend.


Who the fuck is Jerry Grimefeld? Het staat in grote letters achterop zijn shirt. Een vraag waarop het antwoord sinds een paar dagen luidt: de nieuwe zanger van Thy Art Is Murder. Alwéér. Na het veelbesproken vertrek van CJ McMahon en – nu dus ook – diens opvolger Tyler Miller staat er plotseling opnieuw een nieuw gezicht op de bühne met de ondankbare taak om een van de grootste deathcorebands van het moment naar zijn hand te zetten.
Grimefeld maakte eerder al naam als rapper; een beroep waarin verstaanbaar articuleren doorgaans tamelijk essentieel is. Gelukkig gelden bij Thy Art Is Murder andere regels. Grimefeld beschikt over een complete kinderboerderij aan diepe growls, gorgelende lows, krijsende highs en dierlijke brulgeluiden. Tijdens Slaves Beyond Death trekt de opgedragen circlepit zo’n stofwolk op dat menig bezoeker zand staat te happen. Grimefeld kent hoorbaar genoeg methodes om al dat zand weer uit zijn strot te krijgen en goed voorbeeld doet volgen. En wat een heerlijke stuiterbal blijkt deze Australiër. Tijdens The Purest Strain Of Hate kaapt hij een supersoaker en voor Death Squad Anthem commandeert hij: ‘Let me see your gunfingers!’ Geen meter van de catwalk blijft onbenut. De band ziet het aan vanaf het podium en speelt stoïcijns verder.
En dat is misschien wel het opmerkelijkste. Na het laatste album Godlike zou je denken dat het bij Thy Art Is Murder inmiddels weinig uitmaakt wie de teksten precies de menigte in gorgelt. Die hele schijf werd in 2023 op de valreep opnieuw ingezongen door de nieuwe zanger die nu dus óók weer vertrokken is. We kijken hier dus naar de vervanger van de vervanger, maar nog geen uur nadat vrijwel iedereen zich afvroeg wie in godsnaam Jerry Grimefeld is, heeft hij zelf zijn antwoord gegeven: ‘Jerry! Jerry! Jerry!’
Helloween blaast vandaag veertig kaarsjes uit en begint deze grote jubileumshow toepasselijk met March Of Time. De tijd heeft inderdaad niet stilgestaan, maar Michael Kiske weigert vocaal mee te verouderen. Kaal, rood leren jack vol spikes: alsof Peter Gillis een paar worstenbroodjes heeft overgeslagen en onderweg naar dit mooie festival een kledingbon van popcatalogus Large heeft verzilverd. This is Brabant, eh Tokyo. Zodra Kiske zingt, houdt die flauwe vergelijking echter meteen op. Wát een stem. Tijdens The King For A 1000 Years zingt hij collega Andi Deris er moeiteloos uit. Samen klinken ze meer dan prima, maar solo is er maar één koning.
De bijzondere zevenmansbezetting maakt het bovendien mogelijk om vier decennia Helloween geloofwaardig op één podium samen te persen: Kai Hansen en Kiske keerden terug zonder dat Deris hoefde te vertrekken, terwijl Michael Weikath en Markus Grosskopf nog altijd de verbinding met de jaren tachtig vormen. Veertig jaar geschiedenis laat zich niet zomaar in één pompoen kerven, maar Helloween komt een heel eind. Wat gemakkelijk een nostalgische verjaardagsfuif had kunnen worden, groeit uit tot een masterclass power- en speedmetal, met visuals en show optima forma. Kortom; er zit nog genoeg pit in deze kalebas.


Zaterdag heeft Bleed From Within amper zes minuten nodig om de eerste wall of death en circlepit over het veld te jagen. De Schotten spelen de laatste show van hun tour, maar van vermoeidheid is weinig te merken. De riffs zijn net zo puntig en geslepen als de enorme stekels op het decor. Alleen de cleane vocalen van gitarist Steven Jones gaan tijdens A Hope In Hell niet overal helemaal zuiver. Maar zelfs een menselijke misser heeft meer charme dan de vocalen die bij andere bands wel erg nadrukkelijk uit de backingtrack komen. Een livemachine als deze heeft echter geen zijwieltjes nodig.
Op de KINK-stage is ook genoeg te zien. Een vampier met een Flying V, een Plague Doctor op bas, een hertengewei achter de drums en Electric Barbarella op zang bijvoorbeeld. Bij Castle Rat kruipt zelfs een reuzenrat mét zeis en okselhaar het podium op. Visueel fantastisch, maar de show vreet de songs te vaak op. Op de debuutplaat overtuigen de doomriffs en composities; live raken die geregeld ondergesneeuwd. Ook de donkere fabels die Rat Queen Riley Pinkerton vanuit deze kleine kerker voordraagt, halen de vaart uit de krappe drie kwartier speeltijd. Zonde.


Een ronkende bas introduceert Primus met Those Damned Blue-Collar Tweekers. Vreemde eend in de bijt? Les Claypool geeft tijdens Frizzle Fry zelf antwoord: ‘It’s kind of an irregular place to be, but never fear you’re safe with me.’ Hij herinnert zich dat Primus hier dertig – of naar eigen zeggen vijfhonderd – jaar geleden ook al stond, toen gitarist Larry LaLonde over de vloer spartelde omdat zijn microfoon hem elektrocuteerde. De missie voor vandaag is daarmee overzichtelijk: dat vooral niet opnieuw laten gebeuren.
Toch kan de show de eerste helft juist wel wat spanning gebruiken. Slapping bass, gekke stemmetjes, friemelende gitaarpartijen; iedere song is een circuslandschap waarin het trio wiebelig balanceert op het randje van de jamsessie. Maar gaandeweg wordt de groove dwingender. Tegen Too Many Puppies heeft de band het veld alsnog bij de lurven. Of wanneer Primus voor Holy Diver van DIO ineens Death Angel-strot Mark Osegueda het podium op trekt. Voor Mr. Krinkle verschijnt Claypool traditiegetrouw met varkenskop en strijkstok bij zijn contrabas. Wat ooit volslagen krankzinnig was, is inmiddels gewoon Primus-erfgoed. Ze passen nog altijd nergens tussen. Of is dat juist hun kracht?
Dan doemt er een enorme beer achter het podium op en valt een gemaskerde bende Eindhoven binnen. Slaughter To Prevail is gearriveerd. Frontman Alex Terrible doet dat bovendien midden in een nieuwe controverse rond transzichtbaarheid, al toont de doorgaans weinig subtiele Rus zich ditmaal opvallend ontvankelijk voor kritiek en trekt hij zijn gewraakte berichten uiteindelijk zelf weer in. Na een paar nummers in Engels én eigen taal gaat zijn karakteristieke fysieke masker ook af; maar wat daarachter precies zijn ware gezicht is, blijft een ingewikkelde vraag.
Over zijn vocale kwaliteiten bestaat overigens geen enkele twijfel. Tijdens Viking demonstreert Terrible zijn stemvolume zelfs zonder microfoon en Bratva brengt welkome groove in de verder behoorlijk dichtgemetselde geluidsmuur. Na ruim een uur beginnen al die breakdowns, grunts en loodzware riffs behoorlijk op elkaar te lijken. Indrukwekkend? Absoluut. Maar waar het veld na zeventig minuten nog altijd om de volgende mokerslag smeekt, groeit vooral langzaam het verlangen naar de bel voor het einde van deze ronde.


Lamb Of God bewijst vervolgens dat bruut geweld en finesse prima door één deur kunnen. Laid To Rest staat al als tweede op het programma en kan rekenen op veel bijval. En neem Parasocial Christ: minstens zo bruut, maar binnen één nummer verschuiven riffs, kantelen grooves en veranderen accenten voortdurend, terwijl Art Cruz achter zijn drumstel de boel steeds een andere richting in duwt. Dat is sowieso de kracht van Lamb Of God: Morton en Adler stapelen geen riffs op elkaar, maar laten ze haken, schuren en slingeren, terwijl de ritmesectie voortdurend bepaalt waar de volgende klap valt. Daardoor blijft zelfs het meest lompe materiaal bewegen.
De set durft bovendien adem te halen. Voor Grace staan alleen Mark Morton en Willie Adler op het podium: de een begeleidt subtiel, de ander soleert, voordat de rest weer binnenvalt. Randy Blythe heeft ondertussen kennisgemaakt met de Nederlandse haute cuisine: ‘This one goes out to whoever puts the krokets in the machine’, grijnst hij voor Blunt Force Blues. Later wordt hij serieuzer wanneer hij vertelt hoe vereerd Lamb Of God is om vandaag met Primus op hetzelfde affiche te staan. Walk With Me In Hell wordt dan ook aan hen opgedragen. Na ruim twintig jaar beheerst Lamb Of God niet alleen de kunst van het rammen, maar ook die van het doseren. Hard slaan is één ding. Weten waar je moet raken, een tweede. Daar is geen woord Russisch aan.
Een dag later draagt Max Cavalera een Nailbomb-shirt wanneer Soulfly met Back To The Primitive aftrapt. Vorig jaar stond hij hier nog met dat project op een ongelukkig vroeg tijdstip; vandaag wordt hij wél met open armen ontvangen. Zoon Zyon zit achter de drums, Mike DeLeon speelt gitaar en Chase Bryant bas. Jammer genoeg verdwijnen Max’ vocalen door een matige mix geregeld tussen gitaren en percussie. Tijdens Bumba komt Steve Buhl van 200 Stab Wounds nog een handje mee rammen. Het moment dat écht blijft hangen heeft echter weinig met geluidskwaliteit te maken. Voor Bleed verschijnt Richie Cavalera. Uitgerekend vandaag is het dertig jaar geleden dat Dana Wells, Max’ stiefzoon en Richies broer, op 21-jarige leeftijd om het leven kwam. Zijn dood zit diep verweven in de ontstaansgeschiedenis van Soulfly. Drie decennia later staan Max en Richie hier samen: sommige nummers worden vanzelf zwaarder.


Forward shifting gears! Met Henchmen Ride gaat bij Testament meteen de versnelling omhoog. Snelheid is het sleutelwoord. Ook het nieuwe Para Bellum-materiaal (Infanticide A.I. of Shadow People) dendert voorbij. Die laatste titel voelt na twee dagen bakken in de zon bijna als een gunst: vandaag is het eindelijk lekker bewolkt. Verder doet Testament precies wat Testament al jaren doet. Alex Skolnick soleert, Chuck Billy commandeert en een anthem als More Than Meets The Eye wordt luidkeels meegezongen. Dik in orde, weinig verrassend. Maar misschien hoeft dat ook niet. In 1987 stond Testament al op Dynamo en dat optreden werd vereeuwigd als Live At Eindhoven. Bijna veertig jaar later staan Billy, Eric Peterson en Skolnick hier nog altijd. En misschien is juist die onverwoestbaarheid inmiddels de nalatenschap van Testament.
Waar de nummer vijf van de big four vertrouwd terrein bewandeld heeft Godsmack zichzelf in 2026 noodgedwongen opnieuw moeten uitvinden. Tony Rombola en Shannon Larkin zijn vertrokken; zanger Sully Erna en bassist Robbie Merrill bleven. Sam Koltun speelt gitaar en achter de kit zit sinds juni voormalig Dream Theater-drummer Mike Mangini. Zijn eerste optreden met Godsmack speelde hij zonder één repetitie met de band. Twee maanden later klinkt opener When Legends Rise alsof het nooit anders is geweest.
Vooraf blijft de vraag wat Godsmack zo prominent op dit affiche doet. Ruim een uur later is die meer dan beantwoord: dit is dé positieve verrassing van het weekend. Misschien staat de band ook gewoon precies op de juiste dag. Tussen het extremere geweld van zaterdag had zoveel onvervalste Amerikaanse hardrock wellicht minder goed gewerkt; vandaag is het een verademing. De huidige tour draagt dan ook de toepasselijke titel The Rise Of Rock. In Eindhoven blijkt dat bepaald geen loze reclameslogan.
Erna’s herkenbare stem staat vrijwel de hele set als een huis. Voor Awake komt de talkbox tevoorschijn, Cryin’ Like A Bitch!! overrompelt met de zoveelste moddervette rockriff en Mangini geeft iedere song een enorme motor mee zonder elk gaatje vol te drummen. ‘Time to rewind back to 1995, when we were nothing’, zingt Erna tijdens 1000hp. Interessanter is inmiddels de vraag waar deze bandversie van Godsmack naartoe gaat. Met nieuw materiaal in het vooruitzicht wordt het vooral spannend hoe de band met zo’n verbouwde bezetting straks klinkt. Met I Stand Alone grijpt Godsmack tot slot nog één keer terug naar het verleden. Daarna mag deze nieuwe bezetting bewijzen of ze ook een toekomst heeft.


En dan rest nog één band. In Flames opent met Colony. Even later vertelt Anders Fridén hoe hij als veertienjarige luisterde naar Testaments Live At Eindhoven, opgenomen op Dynamo in 1987. Nu deelt hij hier het podium met diezelfde band. ‘Stick to your dreams. It might happen one day.’ En dan: Meet Your Maker. In Flames schakelt soepel tussen verschillende periodes uit de eigen catalogus, net zoals vorig jaar op South Of Heaven (dat andere grote metalfest in het zuiden van ons krijsende kikkerland), maar komt hier nóg beter uit de verf. En eindelijk in het donker. In Maastricht moesten de Zweden namelijk een groot deel van hun visuele kracht bij daglicht zien te verkopen; hier vallen schermen, rook, licht en silhouetten wél samen. Deze band hoort simpelweg in het donker.
The Chosen Pessimist verschijnt als uitgesponnen ballad alleen nét wat te vroeg en trekt de handrem aan terwijl de set net lekker op stoom komt. Verder overtuigt In Flames met klappers als Cloud Connected en Trigger en lijkt ondertussen iedereen nog één laatste keer te willen crowdsurfen voordat de werkweek zich weer aandient. Dit was het weer. Maar drie dagen Dynamo verdwijnen gelukkig niet zomaar. En uiteindelijk zijn het niet noodzakelijk de hardste klappen die blijven hangen. Iedereen die stond te stinken in het stof weet dat. Het zand zit in je schoenen, de riffs in je hoofd en ergens halverwege de week pulk je waarschijnlijk nog een laatste zwart stukje trash uit je neus. Volgend jaar weer.
Gezien: 14-16 augustus in Eindhoven