Kurt Vile staat iets voorovergebogen, verscholen achter zijn lange, ongekamde haar. Adidas-gympen, een lange blouse met zijn zoveelste Waylon Jennings-shirt eronder. Hij beweegt houterig, cartoonesk bijna, alsof zijn ledematen eerst met elkaar moeten overleggen. Zijn zinnen richting de zaal komen er staccato uit: een afgemeten ‘hey’, een ‘yo’ en een enkele hakkelende zin. In een uitverkocht Paradiso oogt de 46-jarige Amerikaan als een kwetsbaar jongetje dat per ongeluk voor een volle zaal is gezet. Tot hij een gitaar krijgt omgehangen en begint te zingen. Ineens klopt alles.
Aan zijn voeten ligt een arsenaal aan effectpedalen: fuzz, overdrive, delay, reverb, tremolo, chorus, modulatie, loops. Op zijn monitor liggen haveloze, met de hand volgeschreven berichtjes aan zichzelf: ‘MICROPHONE’, ‘SCREAM’, ‘TIMING STUFF’. Spiekbriefjes die ogen als een handleiding voor een avond waarop Vile ontspannen moet lijken. Achter hem staan keyboards, elektronica, versterkers, reservegitaren en een bassist met een eigen batterij apparaten om live aan klanken te sleutelen.
De zorgvuldig georkestreerde nonchalance past wonderlijk bij Viles muziek. Die klinkt bijna terloops, maar rust op een uiterst precieze manier van spelen, stapelen en doseren. Philadelphia zit overal in: in zijn slepende tongval, in de ruimte die hij een riff gunt en in regels die achter de tel aan blijven slepen. Zijn songs klinken vaak alsof je midden in een gesprek valt: een losse gitaarfiguur, een half afgeronde gedachte over een droom, een dochter of een joint, gevolgd door nog een regel die onderweg binnenkomt.
Vile omschreef zichzelf eerder als iemand die voortdurend ‘in and out of focus’ raakt: lichamelijk aanwezig, in gedachten elders. In Paradiso wordt die uitspraak zichtbaar. Tussen de nummers door lijkt hij half te verdwijnen. Zodra hij zingt en speelt, vindt hij zijn contouren.


Op Philadelphia’s Been Good To Me, grotendeels opgenomen in zijn thuisstudio OKV Central in Mount Airy, trekt Vile de lijnen van zijn leven naar zijn geboortestad: gezin, vrienden en muzikale geschiedenis. ‘This is my bringing-it-all-back-home-to-Philly record’, aldus Vile. Op de plaat probeert hij zijn werelden bijeen te houden.
Achter de band hangt een aandoenlijk knullig zwart sterrendoek met een hotdog, een pretzel en in kapitalen ‘VIDEO NITE’, ‘BEER BUST’, ‘SUP MAYN’, ‘KV’S BEEN GOOD TO ME’. Het decor lijkt in een middagje door wat vrienden in elkaar geklust. Onder dat doek staat het publiek rijen dik, tot op de balkons. Houthakkersblouses en sneakers en opvallend veel twintigers en dertigers. Bijna iedereen luistert geconcentreerd. Af en toe knikken wat hoofden mee.
Vile en zijn Violators dragen bij aan de kalmte. Bij de naam The Violators – de overtreders – verwacht je mannen die ergens een hek forceren, een motor zonder demper starten en bij de eerste riff Paradiso’s glas-in-lood aan diggelen gooien. Op het podium staan vijf uiterst gedisciplineerde mannen, ieder op zijn plek, met zijn eigen instrument en taak. Ze wisselen nauwelijks een blik en spelen met een bijna gelaten ernst. Muzikaal valt alles feilloos samen. Ze delen wel een podium, maar nauwelijks een aanwezigheid.
Daardoor wordt Vile paradoxaal genoeg de meest extraverte figuur van de avond. En dat terwijl hij zich verschuilt achter haar en gitaar. Bijna elk nummer krijgt hij een ander exemplaar omgehangen: een Gretsch-hollowbody voor de jangly tracks, een Fender Jazzmaster voor de zwaarder aangezette partijen en een solidbody waarop hij akkoorden kunstig laat verspringen. Hij plukt, beukt, roffelt en dempt snaren af. Via zijn gitaren communiceert hij met de zaal.


De set begint met twee rijk gevulde, jangly nummers van de nieuwe plaat, Red Room Dub en Zoom 97. In beide tracks hangt Viles stem opvallend diep in de mix. Daarna krijgen de vocalen meer ruimte. Tijdens Runner Ups staat Vile alleen op het podium, met enkel zijn gitaar en zijn stem. De zaal volgt hem stil. Zijn schuilplaats wordt zijn verbinding.
Ook recent werk resoneert bij het publiek. Chance To Bleed krijgt bijval, Pretty Pimpin wordt aarzelend meegezongen en Wakin On A Pretty Day groeit uit tot een weids uitgerekte hoofdsetafsluiter. Viles stem glijdt vertrouwd door het spectrum, net binnen de lijntjes van vals. Hij rekt woorden uit als elastiek, laat ze even hangen en trekt ze terug naar de riff. Zodra hij zingt, verdwijnen de haperingen uit zijn lichaam en uit zijn zinnen.
De toegift bestaat uit drie songs van Philadelphia’s Been Good To Me: Rock O’ Stone, 99th Song en Every Time I Look At You. Dat die encore volledig uit nieuwe songs bestaat, past bij een oeuvre dat niet op luidruchtig ritueel leunt. Viles nummers vormen één uitgestrekte slackerwereld: gitaren die uitwaaieren, regels die nog niet klaar zijn, melodieën die geen enkele haast hebben. Het hele podium werkt mee aan de illusie dat deze muziek zomaar ontstaat. Midden in dat systeem staat Kurt Vile, verborgen achter zijn haar, met zijn gitaar tegen zich aangeklemd. Daarachter heeft hij alle ruimte.
Gezien: 24 augustus 2026 in Paradiso, Amsterdam
Fotografie: Anne-Marie van RIjn