Huh? Een ferme ruk heeft nul effect. De deur geeft geen centimeter mee. Nog maar eens proberen dan. Maar ook na een tweede en derde poging geeft de deur niet mee. Het balkon van Paradiso is dicht tijdens London Calling: dat gebeurt niet vaak. Later op de avond kunnen we er wel terecht, maar druk is het niet op de eerste dag van het festival. Het programma (met op de vrijdag Jungle, Wolf Alice, Menace Beach) heeft dit jaar dan ook geen grote publiekstrekkers en moet het hebben van de breedte. Komt dat wel goed?
De bovenzaal stroomt langzaam maar zeker vol als het Zuid-Londense Happyness opent. Hun titelloze debuut-EP verscheen pas in januari van dit jaar, dus hebben de jonge Britten nog veel te bewijzen. Het werk leunt zwaar op Amerikaanse collegerock en lo-fi grunge en het drietal houdt er op hun eerste schijfje een fijne sound op na. Weezer wordt genoemd als grote inspiratiebron en dat is te horen. Desondanks hebben Jonny Allan, Benji Compston en Ashley Cooper nog een aanzienlijke weg te gaan. Toegegeven, het geluid is verre van optimaal, maar het wordt al snel duidelijk dat de jongens er goed aan zouden doen nog wat uren in de oefenruimte door te brengen. Instrumentaal mag het allemaal veel strakker en ook het arsenaal zou eens flink mogen worden uitgebreid. Slordig en een tikkeltje saai, maar de potentie is er wel. (TR)
Liefst tweeëntwintig muzikanten kwamen er aan te pas om het debuutalbum van San Fermin op te nemen. Vanavond staan er heel wat minder op de bühne, al is een totaal van acht nog steeds behoorlijk veel. Alle acht zijn ze hard nodig om de rijk georkestreerde barokpop van Ellis Ludwig-Leone te brengen. Hij is namelijk de spil van de band: Ludwig-Leone schreef en componeerde alle muziek voor San Fermin. Vanavond staat hij wat anoniem aan de zijkant van het podium, verscholen achter zijn keyboard en omringd door zeven goedgekapte kunstacademie-studenten (zo lijkt het tenminste). De muziek van San Fermin is groots, hoopvol en kent veel wendingen met blazers en violen. Kijkend naar de trompettist van het gezelschap voelt het alsof je in een evangelische kerkdienst terecht bent gekomen: met de ogen gesloten en een gelukzalige glimlach om zijn lippen staat hij te genieten. Wij genieten zeker van Sonsick: het fonkelende prijsnummer van San Fermin dat met blazers naar steeds grotere hoogten wordt gestuurd. Toch blijkt het lastig zo’n rijk debuut te vertalen naar een goede liveset. Vocalisten Charlene Kaye en Allen Tate (die zijn beste Matt Berninger-imitatie doet) kunnen het niet altijd bolwerken en dat hoor je. San Fermin is een band van het grote gebaar, maar live is dat gebaar (nog) niet overtuigend genoeg. (RVV)
Vier introverte jongens uit Brighton betreden het podium van de bovenzaal. Veel meer dan drie woorden worden er niet gewisseld met het publiek. Neemt niet weg dat de heren van Kins een origineel geluid kunnen overleggen. De dromerige composities passen naadloos bij de fijne, Ezra Koenig-achtige stem van frontman Thomas Savage. Ritmisch zijn de nummers spannend, gelaagd en zo nu en dan laat de groep (weliswaar beheerst) haar tanden zien. Het gebrek aan gekeuvel wordt gecompenseerd door de onmiskenbare uitstraling van het Brits-Australische collectief. Met name Savage beschikt zowel instrumentaal als vocaal over het talent om een onuitgesproken connectie met het publiek te bewerkstelligen. Kins zou zomaar eens stappen kunnen gaan zetten. (TR)
Romantisch, sympathiek en met de vocalen van leadzanger Thomas Calder zit het wel snor. The Trouble With Templeton maakt fijne, melodische popsongs. We kijken dan ook niet raar op wanneer nummers als Six Months In A Cast en Bleeders binnenkort niet meer van de radio zijn af te slaan. We horen hier en daar een vleugje Half Moon Run en The Veils, al is het soms te druk. Als de Australiërs het live net iets beknopter kunnen houden, kan de groep het nog ver schoppen. Het wachten is op Rookie, het debuutalbum dat op 12 mei de schappen zal bereiken. Mocht je deze zomer nog een roadtrip op het programma hebben staan, vergeet deze plaat dan niet mee te nemen. (TR)
Op naar de bovenzaal voor een lekker potje folk van Folly And The Hunter. Het debuut van de band (Tragic Care) verscheen afgelopen donderdag in Europa en daarom doen de Canadezen nu een bescheiden tour door Engeland, Duitsland en Nederland. Op plaat denk je te maken hebben met het wat dramatische broertje van Local Natives, live blijft eigenlijk alleen dat dramatische over. Opener Deer At Dawn sukkelt maar wat voort. Frontman Nick Vallee en zijn kompanen zijn geen absolute meesters in het opbouwen van spanning binnen een nummer, maar toch begeven ze zich op dit terrein. Dat levert een behoorlijk saaie set op met vier lieve folkies die hele middelmatige liedjes spelen. De zaal loopt langzaam leeg en Folly And The Hunter zakt steeds dieper in het drijfzand der borrelpraat. Een optreden dat je na het afdalen van de trap eigenlijk al weer vergeten bent. (RVV)
In 2012 verscheen het titelloze debuutalbum van de New Yorkse formatie Hospitality. Opvolger Trouble verschijnt later dit jaar en frontvrouw Amber Papini en haar mannen lijken de girly indiepop van hun eerste plaat verder uit te diepen. Het drietal klinkt opgewekt als Real Estate, maar durft zo nu en dan toch uit de bocht te vliegen met catchy postpunk. De poppy liedjes blijven echter niet echt hangen en het setje is bij tijd en wijlen ietwat aan de eentonige kant. Desondanks is het uit Brooklyn afkomstige drietal op de goede weg. Een bedeesd en charmant bandje, dat met iets meer diepgang en uitstraling wel potten zou kunnen breken. (TR)
En daar gaat ‘ie dan eindelijk. Het eerste biertje vliegt door de zaal en de helft van de inhoud belandt op het hoofd van uw recensent. Die heeft dat nauwelijks door, want wat staat Wolf Alice hier een heerlijk harde set te spelen. We hadden hier naar een klein folkmeisje kunnen kijken, want zo begon Ellie Rowsell een solo-project in 2010. Met de komst van haar huidige bandleden veranderde de muzikale koers en nu speelt Wolf Alice iets wat je nog het best kan omschrijven als folk-grunge: folkliedjes met een goeie bak herrie. En wat werkt dat vanavond goed. Rowsell – een knokig meiske in een streepjesjurk – heeft zich omringd met drie hongerige wolven. Drummer Joel Amey spant de kroon met retestrak drumwerk. Methet jagende She worden de voorste rijen opgejut en hitje Bros wordt lekker hard gespeeld. En ach, die volledig overbodige interpretatie van Chris Isaaks Wicked Game (London Grammar ging er onlangs ook al mee aan de haal) zien we door de vingers. Wolf Alice zorgt voor de eerste stagedive, de eerste crowdsurf en het eerste vliegende gerstenat. Daar waren we even aan toe. (RVV)
De noizy (post)punk van Menace Beach knalt uit de speakers van de bovenzaal. Gezien het palmares van Matt Johnson, Rob Lee, Nestor Matthews, Paul Draper en Matt Spalding, had de groep niet hebben misstaan in de grote zaal. De mannen verdienden immers hun indiestrepen al met bands als Pulled Apart By Horses, Mansun en Sky Larkin. We mogen wellicht zelfs spreken van een supergroep. Live én op de eerder dit jaar verschenen EP Lowtalker klinkt de in Leeds gevestigde band onmiskenbaar Brits, ondanks de overduidelijke grunge-invloeden. Puntig, hoekig en to the point. Lekker slordig en soms zelfs dansbaar door de shoegaze- en Madchester-invloeden. Er wordt een ouderwets potje gerockt, inclusief windmill en crowdsurf. (TR)
Het hele mysterieuze sfeertje dat er om de band Jungle hangt wordt ook op London Calling niet aangetast. Voor aanvang van hun set wordt nog even een fikse slinger gegeven aan de rookmachine en de grote zaal van Paradiso vult zich al gauw met oerwoudgeluiden. Dan komen ze op: het duo J. en T. – zij vormen Jungle – en hun backing band, bestaande uit twee vocalisten, een bassist en een dubbele ritmesectie. Ze starten hun set met The Heat en gelijk snap je waarom er zoveel buzz om deze band hangt. Jungle is één grote swingende machine. Alle onderdelen van de liveband smelten samen in een funky geheel. Zo zijn de vocalen van J., T. en hun twee vocalisten volledig op elkaar afgestemd en mist de ritmesectie geen slag. Zelfs bij een downtempo track als Lucky I Got What I Want is stilstaan een opgave. Wat Jungle doet is opzwepend en even spannend als een echte jungle. Visueel gebeurt er misschien (te) weinig, maar dit is een live-act die nu al staat als een huis. Eenzaam hoogtepunt op deze eerste dag. (RVV)
Afsluiter van de avond is de warme, dansbare indierock van The John Steel Singers. De blazers, funky baslijntjes en meerstemmig gezang zorgen voor een zorgeloos einde van de vrijdagavond. In Brisbane is het leven goed en dat is te horen in de happy popsongs van het zestal, dat onlangs het debuutalbum Everything’s A Thread uitbracht. De liedjes zijn licht verteerbaar in de trant van The Kooks, maar worden met een glimlach en wiegende heupen ontvangen in de bovenzaal. Een gezellig bandje, maar of ze een blijvende indruk zullen achterlaten valt nog te bezien. Tikkeltje voorspelbaar, maar al met al een fijne afsluiter. (TR)
Toch gaan we met een wat teleurgesteld gevoel naar huis. Echte uitschieters waren er vandaag niet, op Jungle en Wolf Alice na. De middelmaat heerst op deze eerste dag London Calling. Hopelijk komt daar morgen verandering in met namen als Gambles, Royal Blood, Arthur Beatrice en Fat White Family.
Door Terence Ros en Rick van Veluw / Fotografie: Luuk Denekamp
Gezien: 9 mei 2014, Paradiso, Amsterdam








