‘Origineel. Uit 1992.’ De man met de grijze baard glimlacht, tikt op zijn verweerde Black Crowes-shirt en verdwijnt weer in de mensenmassa. Meer uitleg is niet nodig. Een paar meter verderop bestudeert een twintiger de line-up. Zijn vader kijkt over zijn schouder mee. ‘Die Moby, is dat nou een dj?’ Nog voordat het antwoord komt, schuifelt een groep veertigers in verbleekte Biohazard-shirts voorbij, op de voet gevolgd door een meisje in een knalroze Steel Panther-hemd. Nog geen honderd meter op het terrein en Bospop heeft zichzelf al uitgelegd. Hier lopen generaties door elkaar. Bandshirts zijn hier geen merchandise, maar herinneringen die je kunt aantrekken.
Vrijdag begint met een cirkel die eindelijk rond is. Voor Floor Jansen voelt een optreden op Bospop als thuiskomen. 25 jaar nadat ze hier als zangeres van After Forever haar eerste grote festivalshow speelde – in een jurk die ze destijds samen met haar moeder uitzocht – keert ze terug met een set die haar complete carrière bestrijkt. Songs van After Forever, ReVamp, Nightwish en haar solowerk vloeien moeiteloos in elkaar over. Veel woorden heeft ze niet nodig. Haar stem blijft een van de indrukwekkendste instrumenten die Nederland ooit heeft voortgebracht en vormt het perfecte startschot voor een weekend waarin verleden en heden voortdurend in elkaar overlopen.
Biohazard laat vervolgens zien waarom sommige herenigingen veel meer zijn dan een nostalgische reünietoer. Sinds Evan Seinfeld weer terug is, klinkt de band niet alleen hechter, maar oogt ze vooral alsof ze zelf weer plezier heeft in het spelen. Urban Discipline zet direct de toon met logge grooves, compromisloze crossover en een ritmesectie die als een stormram door de tent dendert. Tussen de nummers door halen de New Yorkers herinneringen op aan Dynamo Open Air, waar Nederland de band midden jaren negentig definitief in de armen sloot. Dat warme gevoel blijkt wederzijds.
Billy Graziadei staat al tijdens Shades Of Grey spelend op de dranghekken, duikt later met gitaar en al het publiek in terwijl om hem heen een circle pit ontstaat en het duo op de mic krijgt tijdens Punishment gezelschap van Sworn Enemy-zanger Sal Lococo, die toevallig zijn verjaardag op Bospop viert. Het levert geen ingestudeerd spektakel op, maar pure spontaniteit. De brede glimlach op de gezichten van band én publiek vertelt uiteindelijk het hele verhaal.


Steel Panther gooit het daarna over een totaal andere boeg. De seksistische grappen zijn over de rand, de teksten schaamteloos fout en nummers als Asian Hooker, 17 Girls in a Row en Gloryhole zorgen opnieuw voor een uitbundig meezingend publiek én de nodige opgetrokken wenkbrauwen. Oh ja, en dan zijn er ook nog twee paaldanseressen. Alsof de gloriedagen van de Sunset Strip nooit zijn verdwenen vliegen de knipogen naar Van Halen, Mötley Crüe en Ratt je om de oren.
Michael Starr en Satchel rekken hun komische steekspel soms net iets te lang op, precies tot het moment waarop het publiek onrustig begint te schuifelen. Dan grijpt de band weer naar de instrumenten en wordt direct duidelijk waarom Steel Panther al jaren meer is dan een parodie. Achter alle flauwe grappen schuilt een fenomenale rockband. Satchel strooit achteloos met solo’s waar menig serieuze gitarist jaloers op mag zijn, terwijl Starr zingt met een vanzelfsprekend gemak dat bijna doet vergeten hoeveel onzin hij tussendoor uitkraamt. De humor is de botox; de muziek blijft de hoofdzaak.
Nog voordat Volbeat één noot heeft gespeeld, verraadt de festivalweide hoe groot de Denen inmiddels zijn geworden. Overal duiken bandshirts op. Natuurlijk zijn er nog altijd cynici die vinden dat Michael Poulsen klinkt alsof de Zweedse chef uit The Muppet Show zijn keuken heeft ingeruild voor een Marshall-stack en uitsluitend gerechten serveert op een bedje van powerchords. Maar op een festival als Bospop verdwijnen zulke grappen al snel naar de achtergrond; Volbeat is gemaakt voor grote openluchtweides. De refreinen zijn simpelweg te groot, de riffs te aanstekelijk en de energie te oprecht om er afstandelijk naar te kijken.
Poulsen hoeft het publiek nauwelijks aan te moedigen; duizenden stemmen nemen het werk moeiteloos over tijdens Lola Montez en Still Counting. Het is geen optreden vol verrassingen, maar wel een schoolvoorbeeld van hoe een moderne festivalheadliner hoort te klinken. De Max Verstappen-fan in Poulsen zal de vergelijking waarschijnlijk kunnen waarderen: geen spectaculaire inhaalacties, wel een foutloze race van start tot finish.


Na een ijzersterke vrijdag kent zaterdag een wat stroever begin. Razorlight speelt degelijk, maar ook verrassend kleurloos. De nummers liggen muzikaal zo dicht tegen elkaar dat de set halverwege begint te vervloeien tot één lang uitgesponnen lied. Johnny Borrell houdt de vaart erin, maar de vonk slaat zelden over. Pas wanneer America eindelijk klinkt, herinnert de band zichzelf én het publiek eraan waarom ze ooit moeiteloos festivalweides inpakte. Tegen die tijd is de aandacht echter al een tijdje uitgedoofd.
Gelukkig duurt die dip niet lang. Kaiser Chiefs blaast de middag met zichtbaar plezier nieuw leven in. Ricky Wilson gedraagt zich alsof hij de headliner van de dag is. Hij rent, springt, klimt over het podium, zoekt voortdurend contact met het publiek, last halverwege droogkomisch een hydration break in en schakelt daarna zonder aarzelen weer een versnelling hoger. I Predict A Riot en Ruby krijgen de hele weide moeiteloos mee, maar het is de uitzinnige afsluiter Oh My God die het terrein definitief wakkerschudt. Zo speel je een middagset alsof de avond al begonnen is.
Wie vooraf vreesde dat ZZ Top vooral op reputatie zou teren, komt bedrogen uit. Gimme All Your Lovin. Billy Gibbons blijft de onverstoorbare spil van de band en de Texanen leveren precies waarvoor ze al meer dan een halve eeuw worden geboekt. Geen overbodige visuele franje, geen verrassende uitstapjes of vergeten albumtracks, maar een trefzeker afgestelde rockmachine.
Vanaf Got Me Under Pressure zit de groove muurvast. Sharp Dressed Man, Legs, en La Grange volgen elkaar op alsof ze nooit anders bedoeld zijn dan live gespeeld te worden. Elwood Francis heeft zich inmiddels volledig losgezongen van de onvermijdelijke vergelijking met Dusty Hill en voelt steeds vanzelfsprekender als onderdeel van het trio. Verrassend is het allemaal niet. Maar soms is vakmanschap precies dát: weten dat je niets hoeft te veranderen aan een formule die al decennialang werkt.


Toch wordt de grootste verrassing van de dag niet gebracht door een gitaarband. Op de festivalposter oogt Moby nog altijd als de vreemde eend in de bijt. Een dancepionier tussen classic rock, southern rock en metal lijkt eerder een gewaagde programmeerkeuze dan een vanzelfsprekende festivalboeking. Nog voordat de eerste nummers voorbij zijn, blijkt precies het tegenovergestelde waar. Misschien past juist niemand beter op Bospop dan de vegan activist Richard Melville Hall.
Zijn uitstekende liveband geeft Natural Blues, Porcelain en Bodyrock een rauwe, organische gelaagdheid zonder de elektronische kern uit het oog te verliezen. Gitaren, live-drums en de indrukwekkende stemmen van India Carney en Julie Mintz geven de songs een warmte die verrassend goed aansluit bij de rest van het affiche. Waar veel dance-acts afhankelijk blijven van techniek, voelt dit als een volwaardige band die toevallig elektronische muziek speelt.
Ook visueel is het optreden indrukwekkend zonder de muziek te overschreeuwen. Futuristische projecties worden moeiteloos afgewisseld met beelden van vredig grazende koeien. Het past perfect bij Moby’s eigenzinnige gevoel voor humor. Tijdens David Bowies Heroes pakt hij zelf de gitaar, terwijl Carney de hoofdrol opeist met een uitvoering die de uitgestrekte festivalweide voor enkele minuten opmerkelijk intiem laat aanvoelen.
Het allermooiste moment volgt tijdens de combinatie van Find My Baby en Flower. Plotseling klinken er Texaanse gitaarlijnen die rechtstreeks lijken te zijn weggelopen uit het repertoire van ZZ Top. Moby vertelt hoe bijzonder hij het vindt om dezelfde festivalposter te delen met Billy Gibbons en consorten. Als jonge muzikant uit de Amerikaanse punkscene had hij zich dat nooit kunnen voorstellen. Het voelt als een oprechte buiging van een muziekliefhebber naar zijn helden. Juist op dat moment valt alles samen. Dance, blues, punk en classic rock blijken veel minder ver uit elkaar te liggen dan de line-up op het eerste gezicht doet vermoeden. Het is dan ook geen toeval dat uitgerekend Moby uitgroeit tot de meest memorabele act van het hele weekend.
Jett Rebel lijkt recent een nieuw hoofdstuk te zijn begonnen. Tien jaar clean, een nieuwe band en vooral zichtbaar plezier in het spelen. ‘Bospop, jullie komen écht voor de muziek’, merkt hij halverwege op. Do You Love Me At All en Stick Together laten horen hoe moeiteloos hij pop, soul en rock met elkaar verweeft. Een eindeloze song die aanvoelt als een spontane jamsessie start met een stuwende Prince-groove, maar groeit langzaam uit tot een uitgekiende funktrack die eerder aan Living Colour doet denken. Zijn nieuwe begeleidingsband krijgt daarin alle ruimte om te excelleren, terwijl de hoofdpersoon zichtbaar geniet van iedere minuut op het podium. Jelte is terug van weggeweest.


Counting Crows bewijst opnieuw waarom de band zich nooit helemaal heeft laten vangen door het traditionele festivalformat. Adam Duritz heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij zijn repertoire live liever opnieuw vormgeeft dan klakkeloos reproduceert. Juist daarom voelt deze set als een kleine verrassing. De bekendste nummers blijven dichter bij hun oorspronkelijke vorm dan fans gewend zijn, zonder dat de band haar eigenzinnigheid verliest. Accidentally In Love en Mr. Jones verschijnen al vroeg; niet als obligate publiekslokkers maar als de opening van een zorgvuldig opgebouwde set waarin het songmateriaal centraal staat.
Daardoor krijgen Round Here en ook het schitterende A Long December alle ruimte om te ademen en markeert Holiday in Spain voor velen het begin van de zomervakantie. Pas tegen het einde dringt door hoeveel tijdloze songs Counting Crows de afgelopen dertig jaar heeft geschreven. Geen band die leeft van één of twee klassiekers, maar een catalogus die nog altijd moeiteloos overeind blijft en uitzonderlijk genoeg zomaar in zijn volledigheid wordt gepresenteerd vandaag.
Waar Duritz de luisteraar naar binnen trekt, zoekt Chris Isaak juist voortdurend het contact op. Hij behoort tot een uitstervend ras entertainers: artiesten die geen gigantische productie nodig hebben om een tent volledig in hun greep te krijgen. Zijn grootste decorstuk is zijn persoonlijkheid. Tijdens Waiting wandelt hij zingend via de geluidstafel dwars door het publiek alsof hij onderweg bekenden tegenkomt. Alles oogt ontspannen, vanzelfsprekend en vooral ongeforceerd.
Natuurlijk ontbreekt Wicked Game niet. Nog altijd goed voor duizenden mensen die bijna gelijktijdig hun adem lijken in te houden. Maar Isaak weigert zijn grootste hit groter te maken dan nodig is. ‘We’re in a tent, so let’s play some rock ‘n roll!’, grijnst hij even later, waarna hij in een fonkelend spiegelpak het tempo opvoert met Baby Did A Bad Bad Thing. Een verstilde uitvoering van Forever Blue, gevolgd door Elvis Presleys Can’t Help Falling In Love, maakt duidelijk waarom Isaak al decennialang geliefd is. Hij speelt geen concert; hij boekt voor Bospop een onvergetelijke overnachting in zijn Blue Hotel.


Anouk hoeft allang niets meer te bewijzen en doet dat toch. Haar band staat als een huis, de songs hebben nauwelijks aan kracht ingeboet en haar stem klinkt onverminderd overtuigend. De enige kritische noot komt opvallend genoeg van haarzelf. Halverwege vertelt ze lachend niet bepaald gelukkig te zijn met de outfit die ze die ochtend uit de kast trok. Al moet gezegd worden: een podium betreden in iets dat verdacht veel weg heeft van een herenonderbroek past misschien wel beter bij Anouk dan welke zorgvuldig gestylede festivaloutfit dan ook. Eigenwijs, ongepolijst en volledig zichzelf. Dat is precies waarom het publiek haar na drie decennia nog altijd in de armen sluit. Girl girl girl.
Lenny Kravitz krijgt vervolgens de ondankbare taak om drie festivaldagen af te sluiten. Geen eenvoudige opdracht, maar hij laat geen moment merken dat hij op routine vaart. Misschien is hij wel de enige artiest van dit weekend die zich nog altijd gedraagt alsof hij carrière aan het opbouwen is, in plaats van er één te vieren. Opvallend genoeg presenteert hij zijn nieuwere werk met hetzelfde zelfvertrouwen als zijn klassiekers. Dat getuigt van lef. Alleen artiesten die volledig overtuigd zijn van hun huidige materiaal durven een festivalpubliek die keuze voor te leggen. Pas daarna volgen It Ain’t Over ‘Til It’s Over, Fly Away, American Woman en een zinderende Are You Gonna Go My Way.
Zijn band speelt met een precisie die bijna achteloos oogt. Zelf blijft Kravitz die zeldzame combinatie van rockster, soulzanger en bandleider in één persoon. Zijn stem klinkt krachtig, zijn fysieke conditie is indrukwekkend en zijn uitstraling is onaantastbaar. Het is een optreden dat niet schreeuwt om aandacht, maar haar simpelweg opeist.
En dan zit het erop. Bij de uitgang loopt dezelfde man met het verweerde Black Crowes-shirt opnieuw voorbij. ‘Tot volgend jaar’, zegt hij tegen niemand in het bijzonder. Meer uitleg is nog steeds niet nodig. Dit waren drie dagen waarin een dancepionier, een hardcorelegende uit Brooklyn, een Texaans blues-instituut, Britse indierockers, een glammetalparodie die stiekem een topband is, een Nederlandse rockkoningin en een singer-songwriter uit San Francisco moeiteloos hetzelfde affiche deelden.
Het beste affiche in jaren, welteverstaan.
Fotografie: Bert Treep
