Een jaar geleden voelde het allemaal nog als een gewaagd experiment. Inmiddels is South of Heaven geen curiositeit meer, maar gepromoveerd tot een vaste waarde op de festivalkalender. Een blijvende scheur in het bourgondische asfalt van de Limburgse hoofdstad. Een festival dat zich niet verontschuldigt voor blastbeats, dubbele basdrums of mannen met baarden waar complete vogelpopulaties in zouden kunnen overwinteren. Integendeel. Maastricht blijkt een gastvrije biotoop voor deze hoogmis van distortion.
Dat gevoel begint al ruim voordat de eerste band van de tweede festivaldag het podium betreedt. In de vroege ochtend staat bij de lokale bakker in Wyck al een rij bezoekers uit alle windstreken. Duitsers, Belgen, Britten, Scandinaviërs en Amerikanen schuifelen met slaperige ogen richting koffie en vlaai of bestellen met een duffe glimlach een hanenkam. Overal zwarte shirts. Overal bandlogo’s. Tussen de historische gevels en terrassen ontstaat een merkwaardig maar aantrekkelijk contrast. Terwijl Maastricht langzaam ontwaakt, verzamelt zich een internationaal gezelschap voor een dag vol thrashriffs.
South of Heaven heeft niet de massaliteit van de grote Europese metalfestivals en juist daarin schuilt een deel van de charme. Toch verkoopt het jonge festival de zaterdag uit met ruim 8500 bezoekers. De sfeer blijft ontspannen, de afstanden zijn overzichtelijk en het publiek gedraagt zich zoals metalpubliek dat meestal doet: luidruchtig tijdens de optredens, maar uiterst vriendelijk daarbuiten. Zelfs een storing in het betaalsysteem, die de bierverkoop gedurende een groot deel van de dag harder afremt dan menig breakdown, krijgt de goede stemming niet uit het ritme.
Tegen de tijd dat Hellripper het podium betreedt, is de motor van de festivaldag warmgedraaid. De Schotse James McBain heeft zich de afgelopen jaren ontwikkeld tot een van de meest interessante namen binnen de moderne extreme metal en laat in Maastricht overtuigend horen waarom. Zijn mix van black metal, speed metal en ouderwetse rock & roll voelt als een directe afstammeling van Venom en Motörhead, maar klinkt nergens gedateerd.


Wat vooral indruk maakt, is de energie waarmee de groep speelt. McBain jaagt zijn band door de set alsof iedere riff een sprint is. Het publiek reageert onmiddellijk. Hellripper bezit die zeldzame kwaliteit waarbij een optreden groter aanvoelt dan het tijdstip waarop het geprogrammeerd staat.
Dat gevoel wordt nog versterkt door het komische contrast tussen de prestaties op het podium en de bescheiden backdrop die de band heeft meegenomen. Het doek oogt op een podium van dit formaat bijna verloren, maar de muziek trekt zich daar gelukkig niets van aan. Binnen enkele nummers heeft Hellripper het terrein volledig in zijn greep en blijkt de show aanzienlijk groter dan het decor doet vermoeden. Hoogtepunt is Mortercheyn, dat door het publiek wordt onthaald alsof het al jaren een festivalklassieker is.
Dismember heeft vervolgens de ondankbare taak om dat momentum vast te houden. De karakteristieke kettingzaagriffs zijn nog altijd direct herkenbaar, maar na het jeugdige vuur van Hellripper voelt de set vooral als een onderhoudsbeurt van een machine waarvan iedereen al weet dat ze uitstekend werkt. De eerste regenbui van de dag jaagt bovendien een deel van het publiek onder een poncho, terwijl de Zweden zelf dus een degelijk maar weinig memorabel optreden afleveren. Soon To Be Dead?
Desondanks blijkt het een perfecte opmaat voor Anthrax. Wanneer de New Yorkers later op de middag het podium betreden, staat het terrein nagenoeg vol. Het zegt iets over de status van de band dat het publiek op dit relatief vroege tijdstip al zo massaal richting de Gashouder trekt. Anthrax beloont dat vertrouwen direct. Vanaf Among The Living tot aan Indians ontstaat er beweging op het terrein en gedurende de hele set blijft die energie ononderbroken aanwezig.


De groep rond monument Scott Ian is altijd een buitenbeentje geweest binnen de Big Four van de thrashmetal. Minder dreigend dan Slayer, minder monumentaal dan Metallica en minder technisch obsessief dan de headliner van vandaag. Juist daardoor heeft de band altijd een eigen plek weten te behouden. Die speelse energie is ook in Maastricht overal zichtbaar. Ian blijft het onverstoorbare middelpunt van de machine, terwijl Joey Belladonna met zichtbaar plezier contact zoekt met het publiek. Belladonna haalt moeiteloos de hoge uithalen die veel leeftijdsgenoten allang hebben moeten inleveren en wordt daarvoor dankbaar beloond door het publiek.
Wat vooral opvalt, is hoe vitaal Anthrax vandaag de dag klinkt. Er hangt geen zweem van routine boven de set. Integendeel. De band oogt alsof zij opnieuw honger heeft gekregen. Dat gevoel wordt versterkt door It’s For The Kids, de eerste voorbode van het nieuwe album Cursum Perficio, dat later dit jaar verschijnt. De track valt goed en past verrassend moeiteloos tussen klassiekers als Got The Time, Madhouse en Keep It In The Family. Dat laatste devies kan overigens overboord: een uur later dient zich een andere familiegeschiedenis aan waarvoor zelfs Bert van Leeuwen afgebeld kan worden.
De Braziliaanse grootmacht Sepultura bevindt zich midden in haar laatste wereldtournee en dat besef is voortdurend aanwezig. Zelfs een zogeheten Maastrichts kwartiertje vertraging aan het begin van de set verandert daar niets aan. Zodra de eerste noten van Inner Self over de Stadsweide rollen, staat de toon vast. Het is een veelzeggende opener voor een band die veertig jaar lang laveerde tussen identiteit, traditie, vernieuwing en uiteindelijk ook verdeeldheid.
Opvallend is dat Sepultura niet kiest voor een eenvoudige greatest-hits-show. Natuurlijk reageren de bezoekers massaal op Territory, Arise en Roots Bloody Roots, maar Andreas Kisser en Derrick Green weigeren van deze afscheidstour een nostalgische jukebox te maken. Ook het recente The Cloud Of Unknowing krijgt nadrukkelijk ruimte. Nummers als Means To An End en Phantom Self benadrukken dan ook dat Sepultura meer is dan alleen de klassieke Cavalera-periode.


En eerlijk is eerlijk: die nalatenschap hoor je toch het liefst uit de strot van het oorspronkelijke boegbeeld. Dat kan: een dag later staan de Cavalera-broers ironisch genoeg immers op hetzelfde podium, terwijl de huidige incarnatie afscheid neemt van de inmiddels veertig jaar durende carrière. Alsof verschillende hoofdstukken uit dezelfde familiegeschiedenis elkaar in dezelfde 24 uur passeren, zonder nog samen aan tafel te zitten. Het is dus maar goed dat Sepultura ‘2.0’ niet alleen haar verleden viert, maar ook nadrukkelijk haar recente nalatenschap verdedigt.
En dat is een historische lijn die naadloos doorloopt naar de hoofdact op de poster. Dave Mustaine kiest voor een entree die perfect aansluit bij zijn reputatie: geen overbodige theatrale opbouw, geen vuurwerk of bombast. Alleen een man met een gitaar die het podium oploopt en onmiddellijk alle aandacht naar zich toetrekt. Dit is Megadeth.
Vanaf de eerste noten van Tipping Point wordt duidelijk waarom Megadeth nog altijd tot de absolute top van het genre behoort. Mustaine zal nooit herinnerd worden als de grootste zanger binnen de thrashmetal en ook vanavond zijn de jaren hoorbaar aanwezig. Sommige zanglijnen kosten zichtbaar moeite. Toch werkt dat wonderwel in zijn voordeel. De sleet op de stem geeft de muziek een extra laag geloofwaardigheid die past bij een carrière waarin niets vanzelfsprekend was.
Vooral het recente materiaal profiteert daarvan. Tipping Point, I Don’t Care en Let There Be Shred behoren tot de sterkste momenten van de set en bewijzen dat Megadeth ook in de herfst van haar bestaan nog steeds relevante muziek maakt. Tegelijkertijd blijft het verleden nadrukkelijk aanwezig. Hangar 18, Take No Prisoners of Symphony Of Destruction veranderen de Stadsweide in een massaal thrashkoor waarin duizenden bezoekers iedere regel woord voor woord meezingen.
Tweemaal verschijnt mascotte Vic Rattlehead op het podium. Beide keren wordt hij onthaald alsof een oude bekende langskomt. Het zijn leuke details, maar uiteindelijk draait deze show om iets anders. Om Mustaine zelf.


Zijn verhaal is dat van een band die bol stond van conflicten, verslavingen, personeelswisselingen, ziekte en voortdurende wederopstanding. Jarenlang leek de verstoten underdog zichzelf even vaak tegen als vooruit te helpen. Misschien is dat precies waarom Megadeth vandaag nog altijd zo relevant voelt. Waar veel veteranenbands uiteindelijk comfortabel gaan klinken, blijft Megadeth hoekig en nerveus. De riffs schuren, botsen en versnellen alsof ieder nummer voortdurend nét uit de bocht dreigt te vliegen.
Die spanning bereikt zijn hoogtepunt tijdens Holy Wars… The Punishment Due, dat nog altijd voelt als de perfecte samenvatting van Mustaines carrière: technisch briljant, rusteloos, complex en voortdurend op ramkoers met zichzelf. Zijn gitaarspel blijft een wonderlijk mengsel van precisie en chaos, alsof iemand wiskunde probeert uit te leggen tijdens een straatgevecht. Ook She-Wolf laat horen waarom Megadeth zich altijd heeft onderscheiden van zijn tijdgenoten. Wat begint als een agressief thrashnummer ontwikkelt zich langzaam tot iets dat bijna tegen klassieke heavy metal aanschurkt. De lang uitgesponnen gitaarduels klinken minder als straatgeweld en meer als galopperende romantiek uit een ander tijdperk.
En wanneer de laatste noten boven Maastricht uitsterven, voelt het des te minder als het einde van een festivaldag dan als het slot van een hoofdstuk. Niet omdat Megadeth vandaag afscheid neemt, maar omdat Dave Mustaine hier nog één keer laat zien waarom hij tot de laatste actieve architecten van de thrashmetal behoort. Een muzikant die zijn hele carrière vocht tegen verwachtingen, concurrenten, ziekte en soms ook tegen zichzelf. En die strijd klinkt tot het bittere eind nog altijd door in iedere riff. Maar wel met een glimlach: This Was My Life.
Merci Mustaine.
Gezien: 6 juni 2026 bij Gashouder, Maastricht
Fotografie: Hub Dautzenberg