The Cure redde Pinkpop in 1986 van de ondergang, dat verhaal is bekend en speelde zich 40 jaar geleden af in Geleen, waar inmiddels niets meer herinnert aan het festival van toen. Reden te meer om ons te richten op het Pinkpop van nú. Hamvraag: hoe verwerken de bezoekers de toch zware kost van The Cure, na twee dagen aan het all you can eat-buffet, dat Pinkpop heet?
Op de Pinkpop-zaterdag kon je, met een beetje goede planning, de volgende acts zien: Haevn (filmsoundtrackpop), Wodan Boys (Haagse blufpunk), Lauren Spencer Smith (zingende TikTok-ster), IDLES (verwoestende postpunk) en Suzan & Freek (Neerlands knuffeltrots). De muzikale smaakpapillen worden op de proef gesteld. Komt daar ook nog eens de extreme warmte bij, dan voelt Pinkpop bij momenten als een copieuze maaltijd waar geen eind aan komt.
En dan zit je al helemaal vol, en krijg je óók nog The Cure. Met meestal een doorwrochte set met veel duister albumwerk, waarin niet zelden een mistroostig dan wel pessimistisch wereldbeeld wordt opgeroepen. Maar zie: even voor middernacht staat Pinkpop tot ver achter op het veld – ondanks een (wederom) dreigende onweersbui – te dansen. Vanaf The Lovecats is het swingen geblazen in de encore van het optreden en eenmaal aangekomen bij Close To Me wanen we ons op een New Wave-dansavond in het lokale jeugdhonk.

In de twee uur daarvoor hebben we The Cure echter op zijn moeilijkst, maar ook op zijn best gezien. En op zijn gevoeligst. Robert Smith verstaat de kunst om de toehoorder via muziek mee te nemen langs de diepste menselijke emoties: onbereikbare liefde (Pictures Of You), isolatie (in oudje Charlotte Sometimes), het niet kunnen verwerken van een verlies (Burn).
Maar telkens als het net te zwaar wordt, tilt Smith de boel weer op, bijvoorbeeld met het opgewekte ritme van In Between Days. ‘Yesterday, I got so old, I felt like I could die’, de beroemde eerste regel, wordt luidkeels meegezongen, wellicht omdat het resoneert bij het grijzer geworden smaldeel van The Cure-fans die naar Landgraaf zijn gekomen. Mooi ook, hoe Smith het publiek even later nog wat verder terugtrekt in het melancholische moeras, met The Last Day Of Summer; ook zo’n nummer over de tragiek van het ouder worden en het verstrijken van de tijd.
En dan, op het punt dat Megaland zwelgt in melancholie, jagen de bas van Simon Gallup en de pulserende gitaar van Smith zelf, het publiek weer de duisternis in: A Forest brengt de dreiging terug in de set. Maar wanneer we denken aan het donker te zijn ontsnapt, wacht de ondergang die ons golf na golf overspoelt (in From The Edge Of The Green Sea), waarna het einde ons recht in de ogen kijkt.

‘And I’m outside in the dark / Staring at the blood red moon / Remembering the hopes and dreams I had’, mijmert Smith in het prachtige, fatalistische Endsong (van Songs Of A Lost World uit 2024). Het is een pijnlijke conclusie. Alle mooie herinneringen, de ups and downs, de melancholie en het brandende verlangen ten spijt; alles is ogenschijnlijk voor niets geweest. ‘Left alone with nothing. Nothing’, verzucht Robert Smith zichtbaar aangedaan.
Nu is Smith niet de man ernaar om de mensheid verlossing te bieden in het licht van het naderende einde. Toch voelen de bisnummers vandaag als een moment waarop Pinkpop collectief adem kan halen. Want ook dat is ook nodig bij een The Cure-concert: even de luiken open voor wat licht in de duisternis. Wellicht is dat ook de boodschap die Robert Smith wil meegeven. Dat de diepgewortelde gedachte ‘aan het eind komt alles goed’ toch vaak voorafgaat aan een onvermijdelijke val. Het enige dat je als mens kunt doen is blijven dansen. Het liefst met je ogen dicht, van niets willen weten, recht op het onweer af. Dansen op de vulkaan.
Gezien: Pinkpop 2026, za 22.00 uur (South Stage)
Fotografie: Hub Dautzenberg
