interview

Bart Chabot ontmoet Barry Hay: 'Bye bye, Golden Earring'

Vijfendertig jaar geleden volgden Anton Corbijn en Bart Chabot voor OOR een jaar lang de Golden Earring vanwege het vijfentwintigjarig bestaan van de band. In februari jongstleden werd bekend dat gitarist George Kooymans ernstig ziek was, te ziek om nog op te treden. Daarmee viel, na zestig jaar, het doek voor de Earring.

Fotografie Anton Corbijn | Special thanks: Willem Bemboom, engineer

‘Barry’, mail ik, ‘lang verhaal kort. OOR vroeg me je te interviewen voor het Kerstnummer. Voel je daar wat voor?’

Na een kwartiertje komt Barry’s antwoord vanuit Curaçao in ultrakort, strak rock ‘n’ roll-proza.

‘On.’

Twee dagen later is een datum voor onze ontmoeting gekozen, evenals tijdstip en plaats. Ter bevestiging van onze afspraak volgt er een tweede mail uit Curaçao.

‘Ik kom met de trein.’

‘Goedemorgen, meneer Chabot’, word ik begroet door Sandra, de receptioniste van het Carlton Ambassador Hotel in Den Haag.

‘Hoe gaat het met u?’

‘Uitstekend’, zeg ik. ‘Ik ga Barry Hay zo ontmoeten.’

‘Ik heb zoiets gehoord’, zegt Sandra. ‘Dus het is echt waar.’ Er verschijnen blosjes op Sandra’s wangen. ‘Ik heb nog bij Barry in de straat gewoond, in de Barentzstraat. Ik woonde in een meisjeshuis. Als Barry buiten verscheen riepen we elkaar, “Barry Hay!!” en renden we naar het raam om hem de straat te zien uitlopen. Groot alarm. Daar ging Barry Hay.’

De blosjes verlaten haar wangen niet.

‘En daar bleef het bij, Sandra?’

‘U bedoelt of een van ons, of ik, seks met…?’ Ze schudt haar hoofd. ‘Zo ben ik niet opgevoed, meneer Chabot.’

Rock Royalty

Ik heb de Senator Room tot mijn beschikking gekregen. Een kingsize ruimte met een geluiddempend rood tapijt op de vloer en rood behang op de muren. Daar blijft het niet bij. De zon meldt zich in het vertrek. Die had het eens moeten wagen om níet te verschijnen, dan had ik die eigenhandig uit het zonnestelsel opgediept en boven Den Haag opgehangen. De winter mag dan in rap tempo naderen, zolang Barry in Den Haag vertoeft, blijft de herfst onverminderd nagloeien.

‘Barry?’ zegt Amanda, vanochtend de serveerster-van-dienst. ‘Barry Hay? O! Wat leuk!’

Om tien over elf – tien minuten later dan het afgesproken tijdstip, zoals het een rockster betaamt – komt Barry de Senator Room binnen met, karakteristiek, zijn zonnebril op. We omhelzen elkaar: we hebben elkaar te lang niet gezien. Hij oogt sharp en in good shape.

Dat niet alleen: met zijn binnenkomst wijzigt er iets in de ruimte; een mix van high energy en Sterrenstof. De lucht lijkt zuurstofrijker. En statisch geladen. Mocht er nog twijfel over bestaan, dan weten we het nu zeker. Het is geen willekeurige bezoeker die langskomt, het is Barry Hay, rockster. Maak daar rockstar van. En Barry heeft zijn zonnebril nog niet eens afgezet.

Nieuwsgierig geworden komen de vier muren van de Senator Room een stapje dichterbij; behoedzaam, zodat het ons niet zal opvallen.

Regelmatig zal een bezoeker of hotelmedewerker tijdens ons gesprek zijn of haar hoofd om de hoek steken. ‘Ja hoor, het is ‘m echt! Daar zit-ie, Barry Hay!’ Waarna het hoofd zich schielijk om de hoek van de deuropening terugtrekt.

Alles kan opeens. Willen we het hotel op z’n kop zetten? Dan is daar alle ruimte voor.

‘Is dat de bar?’ zegt Barry, wijzend op de lange toog en de rijen flessen tegen de spiegelende achterwand.

‘Dat is de bar, Barry.’

‘Is-ie open?’

‘Voor jou wel, Barry.’

‘Mooi. Dat is voor straks. Ik drink niet voor twaalf uur.’

De bar blijft keurig op zijn plek en geen bijna-lege fles of glas rinkelt. De bar kent Barry en weet: dit komt goed.

Slow Train Coming

We nemen tegenover elkaar plaats aan de vergadertafel. De tijd loopt.

‘Barry’, zeg ik, ‘ik was verrast toen je me schreef, “Ik kom met de trein”. Ik had de trein en jou nooit met elkaar in verband gebracht en je in een limo verwacht.’

‘De afgelopen dertien jaar reis ik per trein. Dat hoor ik vaak om me heen, “Barry, jíj? Waarom de trein?! Dan word je alleen maar lastiggevallen.” Maar ik word juist met rust gelaten. Toegegeven, ik heb diverse technieken ontwikkeld om zodra ik een coupé heb bemachtigd dat coupeetje voor mij alleen te hebben. Want het is uiterst naargeestig om in een volle treincoupé te zitten. Voordat je het weet zit je naast een passagier die een gesprek met je wil beginnen en krijg je te horen dat tante Neel in Heerhugowaard door een deurwaarder uit huis is gezet; en wat ik daar van vind. Daar zit ik niet op te wachten.’

‘Wat behelzen die “diverse technieken”?’

‘Een voorbeeld. Als we stoppen op een station pak ik mijn mobiel en veins een wild telefoongesprek. Met veel gevloek en getier. “Die gozer moet dood!! Omleggen die gast! Die gozer moet DOOOOOODDD!!!!” Heb ik altijd veel succes mee. Zoiets werkt verbazingwekkend goed. De schichtige blikken om je heen zijn niet te tellen. Probeer het eens, zou ik zeggen. Een probaat middel. Je zult versteld staan hoe vlot zo’n coupé leeg is. Zodra de trein dan weer rijdt, verander je in de rust zelve.

Of, een andere techniek… ik kom binnen, doe mijn koffer kopen en pak wat spullen uit. Zweetsokken breed uitspreiden op de stoel naast je, vuil wasgoed op de bank tegenover je…

‘Dat wil ik geloven. Dat haalt de moed er wel uit.’

‘Wat ook vaak helpt, bij nadering van een station… Je gaat met je rug naar de gangdeur staan en slaat je met je twee handen tegen het raam. Met de platte hand. “Ik wil eruit!! Ik wil eruit!!” Daar durft geen treinreiziger bij te gaan zitten. “BENGGG!! Let me out!! BENGGG-BENGGG!!” Die kijken wel uit en lopen haastig door naar het volgende compartiment.

Ik hou dat al een knap tijdje vol. Als de Earring een theater aandeed, akoestisch, was het concert altijd bijtijds afgelopen. Zodat de bezoekers thuis konden komen, maar ook opdat ik de laatste trein nog kon halen. Stond ik op het perron handtekeningen uit te delen, op station Loempiaveen-West, aan mensen die net van onze gig terugkwamen. Altijd leuke ontmoetingen bij de Spoorwegen.’

‘Je werd niet voortdurend aangegaapt en aangestaard?’

‘Soms. Door het spoorwegpersoneel. Een conducteur die gezellig naast je komt zitten. Zo zat ik een keer in een lege trein, een minuut of twintig voor Zwolle, waar ik eruit moest. De conducteur, een inkeurige man, bij het chique af, vroeg of hij even naast me mocht komen zitten. Zeg dan maar eens nee. Ik heb een verhaal, zei-ie. Dus ik dacht: daar gaan we weer.

Hij zei: “Jullie speelden vroeger in Sneek met de Earring, tijdens de Sneekweek.” Ik wist nog precies hoe het eraan toeging: een soort open tent op een grasweide, en het publiek zat altijd. Zo ging dat toentertijd in Sneek. Vraag me niet waarom. Ook als je speelde bleven ze op de grond zitten. Die man ging elk jaar met een vriendenclub naar de Earring. Op een keer was hij bij een wat wildere song toch opgestaan, tegen de Sneekse tradities in. Hij híeld het niet meer en kon eenvoudigweg niet blijven zitten.’

‘In z’n piere eentje.’

‘Toen heeft-ie een bierfles tegen zijn achterhoofd gekregen. En raakte buiten bewustzijn, knock-out. Hij werd wakker met zijn hoofd op de schoot van een beeldschone blonde dame. Hoe bestaat het, hè? Bij de Earring hoor je wel vaker dat er mensen door ons toedoen bij elkaar zijn gebracht. In eerste instantie dacht hij dat-ie overleden was, dat hij zich in de hemel bevond en dat zij een engel was. Ook door het tegenlicht van de zon, natuurlijk. “Waar ben ik? Up in heaven?”

Zei die beeldschone engel: “Nee, gekkie. Je bloedt, ik heb een doos Kleenex voor je gepakt, tissues, om het bloed te stelpen. Het wordt al wat minder, hoor, dus maak je geen zorgen.”

“Nou”, besloot die conducteur, “en met die vrouw ben ik nu dik dertig jaar getrouwd.”

Wat de Earring niet allemaal op z’n geweten heeft, hè? En daar wilde hij ons dus voor bedanken.

Ik zeg: “Joh, je moet die gozer bedanken die die fles heeft gegooid!”

Toen reden we Zwolle binnen.’

Een borrel met Barry

Barry zet zijn zonnebril af – een onmisbaar rockster-attribuut – en legt hem weg; die heeft hij voorlopig niet nodig.

‘Over de Earring gesproken, Barry… We gaan het niet over de gezondheidssituatie van George hebben, maar we kunnen voor de lezers niet doen alsof George niet bestaat. Zullen we zeggen, “met George gaat het naar omstandigheden goed”?’

‘Met die formulering is niks mis. Want met George gáát het naar omstandigheden goed. De laatste keer dat ik ‘m sprak was-ie eigenlijk best vrolijk. Ik bel hem geregeld. Ook met de vraag: vind je het oké dat ik je bel, of wil je liever niet worden lastiggevallen?

“Tuurlijk kun je bellen”, zei-ie. “Come on, doe niet zo raar.”

Ik heb George ook weleens aan de lijn gehad dat-ie wat afgeknaagd klonk. Maar de laatste keer klonk-ie goed. Zat-ie met een oude vriend duidelijk aan de wijn. George zei: “Drinken, daar vrolijk je toch van op. Dat helpt gewoon.” Dat kon ik alleen maar beamen. Alcoholtherapie. Het beste wat er is. Druivensapinfuus. Hij klonk heel up, George.’

Barry valt, ongebruikelijk voor zijn doen, een paar tellen stil.

‘Oké’, zegt hij dan. ‘Laten we eerst even een glaasje wijn nemen.’

Hij wenkt Amanda.

‘Sorry, heb je een glaasje pinot grigio voor me?’

Dat heeft Amanda, en ze spoedt zich naar de bar om het verlangde te halen.

‘Het is kwart voor twaalf’, fluistert Barry. ‘Dus ik smokkel een beetje.’

‘Ik neem je dat kwartiertje niet kwalijk. Bovendien, my lips are sealed.’

‘Cheers’, zegt Barry en neemt een slok van zijn wijn.

‘Rinus vertelde me ooit over een van jullie Amerikaanse tournees… “Toen wij in town waren, was Jimi Hendrix net weg. Janis Joplin stond ’s avonds met een fles in haar hand naar ons te kijken.”’

‘Het stierf er van de rock ‘n’ roll-clubs. Je struikelde over Joe Cocker en… Schering en inslag. Met wie heeft de Earring níet gespeeld? Dat lijstje is een stuk korter dan de lijst met wie we wél… We hebben zo’n beetje met alles getoerd. Soms dachten we: “Wat doen we hier in godsnaam, met onze line-up?”

Stonden we in Chicago, was Little Feat ons voorprogramma. Absolute topband. Ben ik naar hun kleedkamer gegaan om mijn verontschuldigingen aan te bieden dat zij onze support-act waren. Sorry jongens, zei ik, ik weet niet wie dit heeft verzonnen, maar ik schaam me dood. Gelukkig reageerden ze heel volwassen. “Ach joh, maakt niet uit. Het publiek komt voor jullie. Wij komen voor het geld.”

Ik weet nog, we lagen uitgeteld aan de rand van een hotelzwembad, komt Bruce Springsteen aangelopen. “What’s happening, Boss?” vraagt de hoofdroadie. Waarop Springsteen met zijn vingers knipt, en “Me”, zegt, pointing his fingers at his dick.’

‘Ik herinner me dat verhaal. Maar ik dacht dat Springsteen op zichzelf wees, naar zijn borst.’

‘Dat had je verkeerd begrepen. Dat dacht ik meteen toen ik je verhaal over de Earring in OOR las, vijfendertig jaar geleden. Nee, Springsteen knipte met zijn vingers, “Me”, en wees omlaag, naar zijn kruis. Blij dat ik dat even kan rechtzetten.’

We krijgen bezoek. Maar lang duurt dat niet. Als drie heren in keurige kostuums aan een tafel willen plaatsnemen, wordt hen snel duidelijk hoe de kaarten liggen en stappen ze op om hun gesprek elders in het hotel voort te zetten.

‘Met zijn twee wijsvingers’, herhaalt Barry voor alle zekerheid, ‘naar zijn kruis. Goed dat we elkaar spreken, Chabot. Zo komen de praatjes in de wereld.’

Barry heeft zijn motorjack uitgedaan. Hij heeft een zwart T-shirt aan. Op zijn armen is het zo druk dat er geen tatoeage meer bij kan. Hij ruikt aan zijn linker oksel. ‘Kan het ermee door, Chabot?’

‘Ik ruik niks, Barry, op deze afstand.’

‘Hmmm’, zegt Barry, niet helemaal overtuigd. ‘Welkom in Transpiratanië.’

1972

De afgelopen vijfendertig jaar hebben we elkaar sporadisch gesproken. Vandaag komt het er eindelijk weer eens van. Het voelt als vanouds. Al liepen onze levens uiteen en verstonden we elkaar misschien niet altijd, toch begrijpen we elkaar uitstekend.

‘Over herinneringen gesproken’, vervolgt Barry. ‘Een tijdje terug zag ik David Byrne weer, in concert. It was fucking great. Ik zat in de loge, en via zijn management kwam de vraag of ik hem na afloop wilde ontmoeten. Moest ik in de catacomben wachten. He was taking a shower. Hoe vind je die? Concert afgelopen… “Kunt u even wachten? De heer Byrne staat onder de douche.”

Toen-ie was uitgedoucht zei Sandra, mijn vrouw, die mee was: “You blessed my soul.”

Vond-ie mooi, David Byrne. “Oh”, zei-ie, “I’m really glad I did that.”

Ik heb hem heel even gesproken. “Yeah, I remember you”, zei-ie. “Did you like it?”

Kort daarna was-ie weg. Hij mag dan een Talking Head wezen, toch is het geen type dat een boom opzet met een biertje erbij, van: heb-je-nog-tv-gekeken-gisteravond. David Byrne. Hij heeft spierwit haar tegenwoordig.’

‘Nee’, zegt Barry en hij neemt een slok van zijn wijn, ‘dan Keith Moon…’

‘Heb je herinneringen aan Keith Moon, de legendarische drummer van The Who? Of is dat meer de afdeling van Cesar?’

‘Jongen, aan Keith Moon heb ik heel veel herinneringen.’

‘Noem eens wat, Barry.’

‘Waar te beginnen? We speelden eens in Kopenhagen, of in Stockholm… In ieder geval daarzo, die kant op, in die contreien…’

‘Scandinavië.’

Up north. Richting Narvik. Keith was jarig en wilde na afloop van het concert met een stel dames en wat aanhang, waaronder Rinus en ik, naar zijn feestje. Hij had een party geregeld in een nachtclub. Daar zou het weleens een leuk gekkenhuis kunnen worden, had hij Rinus en mij beloofd, “Neem dat maar van me aan.” Hij werd 26… Wacht even, ik weet ’t weer! Het speelde zich af in 1972, toen The Who en de Earring in de Kungliga Tennishallen in Stockholm speelden. Zie je wat ik bedoel? Wijn doet wonderen.

We namen plaats in de limousine die buiten de Tennishallen op ons wachtte. Die limo kraakte in zijn voegen. Alle voegen. Er zaten een stuk of twintig feestgangers in. Bovenop elkaar. Een onontwarbare kluwen. Ik lag ergens onderin, en een of andere chick lag op me. We hoorden die auto kreunen. Als iemand bewoog, hoorde je iiiiiiiii-iiiiiiiii. Het wachten was op het moment dat die limo door zijn vering zakte.

Keith Moon zat voorin en zei tegen de chauffeur: “Move the vehicle!”

Waarop die chauffeur zegt: “No way. The car is too heavy. People have got to get out. I can’t drive like this.”

Waarop Moon geheel volgens verwachting zegt: “Nobody is leaving this vehicle! Besides, I’m a generous tipper!”

Toen haalde Keith een stapel flappen tevoorschijn en gaf die gozer een bankbiljet.

“No, that’s not enough”, zei die chauffeur.

“Aháááá!!” zei Keith Moon. “Now you’re whistling!”

En gaf ‘m nog een flap. En nog een bankie. Die limo werd gestart… Ik schat dat we met hooguit vijf kilometer per uur in beweging kwamen, krakend en piepend. Iiiiiii-iiiiii, krrrrggggg… Een eindeloos lange rit. We hadden pak-‘m-beet krap honderd meter gereden… en daar was de club. Konden we er allemaal weer uit. Als we hadden gelopen, waren we een uur eerder ter plekke geweest.

We kwamen juist op tijd binnen, want op de bühne zat een dame, ontkleed, en die begon net heel langzaam op een trillende vibrator te gaan zitten. Waarop Moon recht voor haar snufferd ging dansen, in zijn handen klappend, “Happy birthday to me!” zingend. “Happy birthday to mieeeeee!!”

En toen begon het feest.

Gelukkig konden we lopend terug naar het hotel. Tegen de tijd dat we daar aankwamen zaten de meeste hotelgasten rechtop aan het ontbijt.

En dat is maar één van de honderden verhalen. Zelf ben ik erg gecharmeerd van het superglue-verhaal. Ken je dat? The Who, dat waren de koningen van de practical joke. Vooral Moon en zijn vazallen. Hij werd altijd omgeven door ingehuurde krachten die zogenaamd op hem moesten passen, dierentemmers, maar die in de praktijk net zo hard meededen. Superglue was toen net uitgevonden en The Who plakte alles vast en aan elkaar. In een hotel in Wenen kitten ze ’s nachts alle kamerdeuren onwrikbaar dicht. Helemaal rondom, geen kamer overgeslagen. Ook de bezemkast zat potdicht. De volgende ochtend hoorde je door het hele hotel heen alleen maar gebonk en geschreeuw. Niemand kon z’n kamer uit. The Who.’

‘Kattenkwaad.’

‘Totdat Keith complete hotelkamers in puin begon te slaan. Op het laatst hadden ze speciale safe rooms voor hem, in de kelder. Zodat-ie geen kwaad kon. Niks was veilig voor hem. Toch was hij verreweg de aardigste van The Who. Op kilometers afstand. Roger Daltrey was oom Wim-achtig aardig. Zo van: “Jongens, hebben jullie het naar je zin?” En weg was-ie. Maar Keith kwam gewoon bij ons zitten. Mister Nice Guy. Maar niet heus.’

‘Wat je vertelt aan streken roept een zekere Hermanus B. uit Zwolle in herinnering.’

Barry grijnst. ‘Wie was dat ook alweer?’

‘Herman vertelde me ooit dat hij met jullie, de Earring, in een package zat. Op een avond, jullie traden op en waren in full swing, liep Herman om en ging achter jullie achter het toneelgordijn staan en…’

‘O, dat-ie zijn lul door het gaatje steekt. Dat was niet met de Earring, dat was met The Haigs. Wij toerden door Duitsland, met Moan, voorheen The Moans, waar Herman in zat. Brood noemde zich toentertijd Crail Moanshill; die naam had hij zichzelf aangemeten. Hij speelde piano en zong maar één nummer, want Sjoerd van der Duim was de zanger van Moan. Goeie band, ze kwamen uit de buurt van Arnhem.

Die tour werkte als volgt: we speelden in enorme bierhallen, met lange tafels en banken. Er was één brede bühne, met links Moan en rechts The Haigs. We wisselden elkaar af, zodat er geen pauze was. Er was dus geen voor- of hoofdprogramma. Wij een setje van een halfuur, dan zij een setje, om en om. Zo vulden we de avond. De bierpompen waren continu in bedrijf.

Op een gegeven moment stond ik Hold On I’m Coming te zingen, een van de troeven van The Haigs…’ Barry glimlacht en neemt een laatste slok. ‘Een van de toppers van ons repertoire. Hold On I’m Coming. En opeens zag ik iedereen wijzen en gniffelen en lachen. Die hele zaal afgeleid. Dus ik draai me om, wat is er aan de hand? Ik kijk achter me… Zie ik iets hangen, vleeskleurig, uit het kijkgaatje in het toneelgordijn. Het hing. Toen het nummer was afgelopen ben ik achterom gelopen. Stond Herman op een stoel, met z’n broek omlaag en zijn piemel door dat gat.’

‘En toen heb je dat stoeltje onder hem vandaan getrapt?’

“Zo Herman”, zei ik. “Dus die van jou is zo klein dat-ie door een kijkgaatje past.” Daar had-ie niet van terug.’

Einde Oefening

Amanda zet een nieuw glas wijn op tafel.

‘Heb je nooit last van je lever, Barry?’

‘Niet van mijn lever, nee. Wel pijntjes die doorzetten. Dan ga ik linea recta naar de huisarts. Sowieso doe ik elk jaar een bloedproef, en de pis en de weet-ik-veel-wat. Tranen.’

‘Tranen?’

‘Ja, die huil ik dan bij elkaar in een heel klein kopje.’

‘Krokodillentranen?’

‘Oorsmeer erbij. Stukje nagel. Huidschilfertjes. Schaamhaar. Balletje snot. Dan volgt de uitslag. Laatst nog, alles clean, niks-aan-de-hand. Dan denk ik: hebben jullie wel het goeie balletje snot getest? Ik kom stralend uit de tests. Al jaren. Met altijd hetzelfde bericht erbij uit de categorie Officiële Mededelingen: “Dat betekent niet dat je het nu op een zuipen kunt zetten!” Een soort mantra. “Dat betekent níet, meneer Hay…”’

Barry knipoogt en neemt een slok van zijn wijn.

‘Over de Earring gesproken, Barry… In februari stopten jullie. We zijn flink wat maanden verder… Als je de balans opmaakt?’

‘De Earring is een levenswerk geweest. Van de buitencategorie. Jongen, in den beginne, in Nederland, de ene hit na de andere. Ik belandde in een gespreid bedje toen ik bij de Earring kwam. De band draaide op volle toeren. Teenbeat. Gelukkig hebben we de foto’s nog. Hitweek. Muziek Express. En meisjes. Veel meisjes. Hunkemöller Humidity.

Daarna kwam het buitenland. Duitsland, Engeland. Amerika veroveren. Tien tournees door Amerika. Ook als headliners.

Ten tijde van When The Lady Smiles verpieterde het. Dat werd geen hit in de States. Enorm teleurstellend. Het spoor liep dood.
Regelmatig hoorden we: “Jongens, is het onderhand niet mooi geweest?” Maar nee. Het ging nog veel te lekker. Spélen! Boem!

Onze laatste periode is goed geweest. Onderlinge harmonie. Geen ruzies, geen gedoe.

Als ik de balans opmaak, zie ik uiteindelijk toch een triomftocht voor me. Natuurlijk ging het bij vlagen iets minder. Maar de Earring verbleef altijd in de hogere regionen. Tot het in één klap over was.’

‘Wat heb je opgestoken van de zestig jaar dat de Earring bestond?’

‘Bel je advocaat’, zegt Barry na enig nadenken, ‘voordat je een contract tekent. Toch nog iets geleerd! Ik begon me al bijna zorgen te maken dat ik er niks wijzer van was geworden.’

‘Ik durf het bijna niet te zeggen’, vervolgt Barry, ‘maar dat hele heavy heb ik eigenlijk wel een beetje gehad. Dat zware heftige gedreun. En tijdens het laatste concert van de Earring in Ahoy… Er was iets… Tegen het einde, met Radar Love, is je stem geschonden. Die grote hallen zijn koud, voor je stem is dat een verschrikking. En Radar Love is zo hoog en knerpend, dan moet je echt tot het gaatje gaan; en dat hóór je. Toen merkte ik al dat ik er moeite mee kreeg. Het klinkt gewoon niet tof. Verrek, dacht ik, dit is niet meer voor me weggelegd, keiharde rock ‘n’roll.

Nee, dan Mark Knopfler, die kan zoals-hij-‘t-doet tien dagen achter elkaar zingen zonder een centje pijn.

Dat “een keel opzetten”, ik had het er loodzwaar mee. Eigenlijk kon ik het niet meer opbrengen. Dat komt ook omdat ik op Curaçao woon, een eiland waar ik word omringd door tropische klanken. Als je daar met hardrock aankomt, denken ze: “Waar is de knop? Uit! Weg met die teringzooi! We zaten net zo gezellig hier… Komen jullie aan!”’

‘Ik herinner me inderdaad dat de zang af en toe uit je tenen moest komen.’

‘Wat dacht je van George? Vergeet niet, de Earringmuziek is ontworpen in een tijd dat we tussen de twintig en dertig jaar oud waren. Jagger zingt Angie nu ook een paar octaven lager. Maar Radar Love kun je niet lager zingen; dan verliest het z’n effect. Ja, met een akoestisch gitaartje bij het kampvuur, dan kan het een tandje minder, maar in een zaal… Nee, dan moet het knetteren.
Kortom, het afscheid van de Earring is voor mij tegelijkertijd ook het afscheid van de rock ‘n’ roll.’

Daydream Believer

Barry wendt zich tot Amanda. ‘Heeft u voor mij nog zo’n wijntje?’

Dan, tegen mij, fluisterend: ‘Ik ben veel te zinnig bezig. Het wordt nu tijd om wartaal uit te slaan.’

‘Droom jij, Barry?’

‘Wat heet. Ik droom veel, heel veel.’

‘Welke recente droom is je bijgebleven?’

‘De laatste. Gisteren. Ik moet spelen in een stad die iets van Amsterdam wegheeft. Ik ben mijn koffer met bühnekleding vergeten, en mijn geld. Ik stap in een taxi om terug te gaan, met een meisje dat ik ben tegengekomen en met me meegaat. Voor de deur aangekomen ben ik de sleutels van mijn huis kwijt, waar die koffer ligt. De telefoon gaat. George. “Waar blijf je nou?? We moeten zo spelen!!”

Het licht brandt bij de bovenbuurvrouw en via haar kan ik toch naar binnen. Ik kom bij de zaal aan, allemaal trappetjes omhoog, kartonnen deurtjes… Ik kom bij de kleedkamer, maak de koffer open… Tadááá, zit-ie vol zwembroeken. Verkeerde koffertje meegenomen. En ik ga echt niet in zwembroek de bühne op, no way, dus… Ik moet terug. Dan krijg ik een pak aangereikt van een muzikant uit ons voorprogramma… De bühne op… En dan weet ik van onze openingssong de woorden niet meer…’

Barry’s glas is leeg. Zal ik Amanda wenken of laat ik dat aan Barry?

‘In mijn dromen’, besluit Barry, ‘ga ik geregeld op mijn bek. In mijn dromen wel, ja.’

Sky Room

Barry is een grootmeester in een sub-genre van de humor: de anticlimax. Een verhaal oprekken en uitspinnen, het publiek op het puntje van de stoel houden, tergend lang, om te eindigen met een bummer. Weinig cabaretiers en stand-uppers wagen zich eraan, uit vrees dat de zaal uit hun handen valt. Maar Barry, met de lef, branie en bravoure hem eigen, durft de anticlimax wel aan. Vandaar dat ik hem vraag of-ie een nieuwe in huis heeft.

‘O jee, jongen. Zat. Deze gaat over een Hollandse zakenman in New York. Hij zit op zijn kamer in het Hyatt. Het Hyatt Regency, met uitzicht op een park; en hij is eerder klaar dan verwacht, de business meeting duurde flink korter. Hij belt Trudy, zijn vrouw, en zegt: “Trudy, ik ben klaar; ja, nu al, hoe is ’t mogelijk, hè? Ja, het is allemaal goed gegaan, geen zorgen. Het kon niet beter, de bespreking. Ik verveel me dood hier op die kamer, maar niet getreurd, ik kom snel naar je toe. Ik pak morgen de eerste vlucht en dan ben ik weer bij je. Ik hou van je, schat.”

Daarop zegt Trudy dat ze hem erg mist, dat ze van hem houdt en bijna niet kan wachten tot-ie weer terug is. Met die woorden hangen ze op.

Hij kijkt hoe laat het is, bij vijven. Wat zal ik eens doen, vraagt-ie zich af. Hij zet de tv aan, maar hij wordt getrakteerd op een soort ruis in het beeld, heavy sneeuw, ondoenlijk, en hij zet de tv weer uit. Wat nu? Hij heeft wat dorst gekregen, misschien door de droge lucht uit de airco, en de kamer rond speurend valt zijn oog op een reclamebordje.

Visit our Revolving Bar. The Amazing Hyatt Sky Room. On the 62nd Floor.

Hij kan ook een biertje uit de minibar nemen, maar een bar die in één uur ronddraait, op grote hoogte, met zicht op de Big Apple, dat spreekt hem toch iets meer aan. Dus hij trekt zijn jasje aan en neemt de lift naar boven. En inderdaad, die Sky Room is niet niks. Hij moet zelfs voorzichtig zijn en opletten waar-ie zijn voeten neerzet, want de vloer van die revolving bar draait echt rond.

In het hart van de ruimte bevindt zich een gigantische bar. Zoals gezegd, het is nog vroeg, kort na vijven, Happy Hour moet nog op gang komen; de barkeeper staat op zijn gemak wat glazen schoon te maken, en er is maar één andere klant, een paar tafeltjes verderop.

“Can I have a beer, please?” vraagt-ie aan de barkeeper.

“What kind of beer do you like?” zegt die bartender.

“I like a Heineken”, zegt-ie. “I’m from Holland, you know. So a Heineken…”

Hij krijgt zijn Heineken, flesje en glas, en gaat een paar tafels van die enige andere klant vandaan zitten, bij het raam, om van het uitzicht te genieten, the splendid view.

Hij heeft koud plaatsgenomen en de eerste twee, drie slokken achter de kiezen, of daar komt die andere klant aangestiefeld.
“Heineken”, zegt die klant, “what does it do for you?”

Die vraag verrast hem. “What does it do for me?” herhaalt-ie in het Engels met een zwaar Nederlands accent. “Well, when I am thirsty, I take a Heineken. That’s how we do it in Holland, to kill the thirst.”

“But that Heineken”, vraagt die vent opnieuw, “what does it do for you?”

Onze zakenman raakt lichtjes geïrriteerd. “Why do you keep asking that? What do you mean?”

“Listen”, zegt die andere man, “have you ever tried a Special?”

Nee, dat kent onze landgenoot niet.

“I’ll show you. Barkeeper, one Special please!”

Dus die Yank krijgt een Special voorgeschoteld, en hij zegt: “Observe. The Special makes you do what you want to do. Watch me. I’ll take three sips of the Special and then I’ll think of something I want to do.”
Z

o gezegd zo gedaan. Die klant neemt drie slokjes en zegt dan: “Guess what? I want to fly. There’s one window here in the Sky Room. I’m gonna open it and fly three rounds around the bar. Observe… Watch me carefully, ‘cause that’s what a Special does to you, and a Heineken does not.”

En verdomd, die gozer stapt van de vensterbank, springt er vanaf, onverschrokken, vliegt probleemloos drie rondjes om het gebouw, komt door het raam naar binnen en gaat weer zitten.

Je begrijpt, onze Hollandse vriend… “Can I have a Special too?” En ja hoor, ook hij krijgt zijn Special en hij neemt drie slokjes.
“Tell me, what do you want to do?” vraagt die klant.

Uiteraard, je raadt het al… “I want to fly too!”
“Are you sure?” zegt die vent.

Ja, onze man in New York weet het zeker.

“Well”, zegt die vent, “The window is still open. Go for it, cowboy.”

“Yeah, here I go!”

Hij springt uit het raam en flikkert zo naar beneden, waar hij tweeënzestig verdiepingen lager te pletter slaat op zo’n grote gele taxi.

“Hey, listen Superman”, zegt die barkeeper tegen die Yank terwijl hij een glas droogwrijft. “I’ve had enough of your shit.”’

‘Zo te zien vind je ‘m leuk’, zegt Barry als ik ben uitgelachen.

Een toost

Barry spiedt langs me heen. Wat is er achter me gaande? Anton komt binnen. We zijn herenigd.

‘Het is één uur’, zegt Anton. ‘De crew staat klaar op het Lange Voorhout, met de motorbike, een Ducati. Ik reed er zojuist langs; er is geen markt, het Voorhout is leeg. Hoe ver zijn jullie? Of zaten jullie net in het emotionele gedeelte?’

‘Anton’, zegt Barry, ‘ik heb leren jack!’

‘Ik’, zegt Anton, ‘heb camera!’

‘Cool’, zegt Barry. ‘Nou mijn hoofd nog.’

We verlaten het Carlton en lopen naar Antons auto die niet veel verderop geparkeerd staat. Was het gisteren een gure dag, vandaag kunnen we zonder jas over straat en ook tijdens de fotoshoot zal het droog blijven. We hebben het weer mee. Had ik daar van tevoren een seconde aan getwijfeld?

‘Fraaie bolide, Anton’, zeg ik.

‘Had je die nog niet gezien? Ik heb ‘m al een tijdje.’

Anton blaast een neergedwarreld herfstblad van de glanzende motorkap, ‘Dat kunnen we er niet bij hebben!’, en neemt plaats achter het stuur.

‘Chabot!’ roept Barry. Hij wijst naar de zon. ‘In mijn leven is het elke dag Kerst!’

Dan stapt hij alsnog in en trekt het portier dicht.

We zijn weer jongens. Aardige jongens. Nu is het zaak om niet door melancholie of weemoed te worden overmand. Al zijn we inmiddels ‘op leeftijd’, toch willen we nog van alles. De deur naar de toekomst staat nog open op een kier.

Terwijl ik doorloop naar mijn auto hoor ik de Range Rover starten. Zullen onze paden elkaar spoedig opnieuw kruisen? Het lijkt onwaarschijnlijk. Daarmee houdt onze ontmoeting tegelijkertijd een soort van afscheid in. Daar gaat-ie, Barry Hay, zonnebril op: nieuwe avonturen tegemoet. Bye bye, Golden Earring. Bye bye.

Als ik omkijk naar het Carlton is het hotel weer een hotel geworden en de kastanjebomen langs de Sophialaan zijn weer gewoon de kastanjebomen-langs-de-Sophialaan.

En toch is er iets veranderd.

Long May You Run, toostte ik vijfendertig jaar geleden toen we afscheid namen en ik de Earring zag wegrijden over de Kneuterdijk.

Dat kan niet meer, die toost. Vanwege Georges gezondheidstoestand. En omdat de Earring niet meer is. We hebben in de rock ‘n’ roll de tijd aardig weten tegen te houden; maar de tijd helemaal stopzetten is ons niet gegeven, zo reëel moeten we zijn. Dat ‘Long May You Run’, daar zijn we aan voorbij.

Toch hef ik in gedachten het glas. Op George. Die ik meer dan alle goeds toewens.

Dan hef ik opnieuw het glas. Op zestig jaar Earring. Thank you for the music, om het met Abba te zeggen.

Toch ontbreekt er nog iets aan de uitgebrachte toost. En het glas gaat voor de derde keer omhoog. Op de Earring. Thanks for the Ride, guys. Thanks for the Ride.

Daar moeten we het bij laten. Een vierde keer een toost uitbrengen zit er niet in, het glas is leeg.

Thanks for the Ride.

Deel dit artikel

Meest gelezen artikelen

De nieuwe <span class="oor">OOR</span> is uit! Bestel 'm nu in onze shop
oor-shop

De nieuwe OOR is uit! Bestel ‘m nu in onze shop

De nieuwe OOR is uit! Met Editors, Wilco, Tamino, Alex G, Porcupine Tree, Oasis, DJ St. Paul, Cesar Zuiderwijk, Nits, Popronde 2022 ...
EBM
album
Editors

EBM

Het prikkelendste verhaal rond de zesde Editors-plaat Violence (2018) was dat Tom Smith en consorten de productionele hulp hadden ingeroepen ...
'Vieze Asbak, Natte Visstick... dat zijn de hypenamen'
column
klaas knooihuizen

‘Vieze Asbak, Natte Visstick… dat zijn de hypenamen’

'Getreiter en genialiteit gaan uitstekend samen bij de meme­techno van Gladde Paling en Natte Visstick', schrijft colum­nist Klaas Knooiihuizen ...

Bart Chabot ontmoet Barry Hay: 'Bye bye, Golden Earring' (interview) | OOR