‘Het lijkt wel alsof Thé Lau mijn telefoongesprekken afluistert, zo dichtbij als de teksten soms komen’, noteerde OOR in 1998 bij het recenseren van het album Marlene van The Scene. Dat mij toen als 17-jarige bij die muziek hetzelfde gevoel bekroop als de ongetwijfeld een stuk oudere criticus zegt veel over de begaafdheid van Lau als tekstdichter: zijn zinnen waren altijd helder, maar net suggestief genoeg om aansprekend te zijn in elke levensfase.
In de Nederpop vind je genoeg voorbeelden van tekstschrijvers die mystificeren, gewichtig doen met gezwollen taal om een gebrek aan inhoud te verhullen. Zo niet Thé Lau, zijn woorden waren altijd te doorgronden en vormden een opening naar een rijke diepere laag. Poëtisch maar nooit potsierlijk. En de pulserende, vaak snerpend rockende muziek gaven zijn teksten urgentie en belang. U hoort het, hier spreekt een onversneden fan.
Toen Marlene uitkwam, had ik The Scene pas net ontdekt. Het nummer Blauw was me opgevallen op een verzamel-cd in de kast van mijn ouders (Het Nationale Muziekkado, weet u nog? Verscheen elk jaar tijdens de Platen-10-Daagse!). Ik viel als een blok voor de onontkoombare muziek en de tekst waarin je telkens iets nieuws kon ontdekken. Het zien duurt een seconde, de gedachte blijft voor altijd.
De albums Blauw en opvolger Open bleken vol te staan met dit soort mokerslagen van rocksongs, die stuk voor stuk lijfliederen van me werden. Op de platen erna werd steeds nadrukkelijker het experiment gezocht: flamencogitaren, strijkers en zelfs een drumcomputer. Maar de kwaliteit bleef onverminderd hoog, van al die platen zit elke noot in mijn systeem. Wat dan weer niet onverminderd hoog bleef, was de populariteit van The Scene. Hoe hard de pers ook jubelde, het publiek liet Marlene links liggen.
Ook optredens werden schaarser, waar ik als kersverse Scene-freak natuurlijk flink van baalde. Had ik weer, idolaat geworden van een band die nergens meer te zien was. Uiteindelijk heb ik in de zomervakantie de pont naar Terschelling gepakt, om ze daar te zien optreden in een café. Nog altijd heel blij dat ik dat toen gedaan heb, het zou voorlopig een van hun laatste shows zijn, kort daarna viel The Scene uit elkaar.
Er volgden jaren waarin Lau enkele soloplaten maakte en zich ontpopte tot niet onverdienstelijk romancier. Maar na een jaar of tien was daar toch weer nieuwe muziek van The Scene. Vetes waren bijgelegd, ze hadden elkaar gemist en begonnen aan een tweede jeugd. ‘Dit is echt!’ zingschreeuwt Thé Lau op de opener van Code (2012), een lied dat met een beetje fantasie over zijn bandje zou kunnen gaan. Maar het verhaal is bekend, lang heeft die tweede jeugd niet mogen duren. Thé werd ziek en zou niet meer beter worden.
Het slotakkoord was een afscheidsronde langs Nederlandse tv-shows en concertzalen, een zegetocht met bittere bijsmaak. Waar Lau en zijn band in België op handen werden gedragen, was het in Nederland altijd een gevecht gebleven voor erkenning. Pas nu hij ziek was, werd hij omarmd als nationale held, met als kers op de taart eindelijk dat optreden op Pinkpop, waar hij zo vaak de deur in zijn gezicht had gekregen.
Deze maand is het precies tien jaar geleden dat Thé overleed. Om zijn leven en werk te vieren, maak ik met een groep mede-discipelen een theatervoorstelling in Amsterdam. Daartoe verzamel ik nu verhalen, lees ik zijn proza en luister ik vooral heel veel naar zijn muziek. En dan telkens weer dat gevoel als ik die teksten hoor… Ze komen zo dichtbij, het lijkt wel of hij m’n telefoongesprekken afluistert.