Op 9 maart 2026 reed ik terug uit Nijmegen. Ik beitel die datum binnenkort in mijn voorhoofd. Het was de dag dat ik Geese zag optreden in Doornroosje. Ik hoorde voor het eerst Cameron Winter live zingen. Het is jammer dat ik al zo oud ben. Ik zou graag nog vijftig jaar over dit concert hebben opgeschept. ‘Ja man, nee echt. In een popzaaltje. Nee, ik zweer het je. Hij had toen nog half lang haar. Ja, een Gibson SG. Of ik hem heb aangeraakt? Nee, had gekund, maar niemand wilde die avond Cameron Winter aanraken. Dat zou alles hebben verpest.
Het was eindelijk weer eens een concert van een band die niet om de twee liedjes tegen ons aan lulde. Geen woord. Geen geouwehoer over dat hij dit-en-dit had meegemaakt. Nee, pang, voor die microfoon en zingen. Verpletterende zinnen. Een vrijpartij met cocaïne en helemaal vanuit het niets een doodskreet: there’s a bomb in my car! Ja, schrijf maar op. Je hebt optredens vóór Geese in Nijmegen en ná Geese in Nijmegen. Paradiso? Nee man. Hebben ze staan meeklappen en werd er gecrowdsurft. Stelletje dorpsbewoners. Nee, Doornroosje. Doodstille zaal. Alsof er een ruimteschip op het podium landde. Nou ja, dat dus.’
Wie 9 maart helaas niet in Nijmegen waren? Willie Wartaal, Ilse de Lange, Suzan & Freek en Dinand Woesthoff. Geese zou die doodzieke jureerdrift uit hun schedel hebben gespeeld. Dinand zou hebben gezien dat je het gewoon tijdens een liedje kan laten regenen in de hoofden van de mensen die vlak voor je staan. Ilse zou binnen een minuut hebben begrepen dat haar werkelijke muziekleeftijd ongeveer 149 jaar is.
Suzan & Freek, de naam zegt het al, zouden hebben gehoord hoe het klinkt als ieder woord op leven en dood wordt gezongen en hoe heerlijk het is als wanhoop iets gevaarlijks oplevert. Willie Wartaal, ooit geloofwaardig rauw en diep en geniaal en vreemd, hij zou na Geese zijn Voice Of Holland-stoeltje nooit meer hebben omgedraaid. Het zou zo reinigend zijn geweest, voor iedereen eigenlijk, als de jury van The Voice Of Holland vastgebonden met riemen aan hun Goddelijk Jureerstoeltje naar het optreden van Geese hadden moeten luisteren.
Geese was zo heerlijk weinig. Geen achterdoek, geen rook, geen rij versterkers op het podium, minimale ondersteunende projectie, geen grootse opkomst. Een lege doos vol licht en daarin vijf muzikanten die geen woord spraken en toch met elkaar communiceerden alsof hun leven er vanaf hing. Een gitariste die het hele optreden half gebogen, als een levend vraagteken, alles exact op de goede plek speelde met precies het goede geluid.
Een drummer die aanwezig leek te zijn bij drie concerten tegelijk: Funky, Jazzy en Experimenteel. Een bassist die speelde alsof hij die avond het verkeerde lootje had getrokken: hij moest zorgen dat alles bij elkaar bleef. Een toetsenist die klonk als een regelmatig in het water vallende steen en Cameron Winter die zes keer per liedje zinnen zong die dwars door mij heen stormden. Geen enkele zin in deze column komt ook maar in de buurt. Ik ken voorgoed mijn plek. Geese, Nijmegen. 9 maart.