Mijn muziekmaat Mart stuurde me zo’n leuk nepnieuwtje van De Speld: ‘Irritant: vriend op festival wil de hele tijd naar optredens’. Met een zich betrapt voelend geel gezichtje eronder. Ik moest erom gniffelen, want inderdaad, dat soort ‘vrienden’ zijn wij. Maar ergens stak het ook wel een beetje dat dit blijkbaar voor veel festivalgangers herkenbare satire is.
Een paar dagen eerder las ik ook al zoiets ongemakkelijks in het NRC, een artikel met de omineuze kop ‘Drugs horen bij festivals als de dag bij de nacht’, waarin werd betoogd dat men vroeger nog voor de muziek naar een festival ging, maar tegenwoordig allang niet meer. Nu ben ik zelf heus niet vies van een nachtje doorbeuken in de Bravo, maar voor mij gaat een festival als Lowlands toch vooral om met het blokkenschema in de hand drie dagen lang kriskras over het terrein rennen, om maar geen concert te missen. Maar misschien is dat irritant of ouderwets. Ik ben natuurlijk ook al midden veertig.
Mijn eerste Lowlands, lieve kleinkinderen, bezocht ik in 2011. Niet als publiek maar als bespeler van de theatertent. Voor die tijd durfde ik niet zo goed naar festivals, ik had op een of andere manier in m’n hoofd gehaald dat die louter bedoeld waren voor ruige heren die wilden knokken in de modder of werpen met bekertjes bier. Maar toen ik daar beroepshalve toch over het terrein schuifelde, voelde ik me tot mijn verbazing helemaal op mijn gemak.
Ik zag neuzen van alle soorten en leeftijden die toch allemaal dezelfde kant op stonden als de mijne. En dan met name als het ging om muziek. Werd ik in het normale leven altijd glazig aangekeken als ik zei dat ik fan was van bijvoorbeeld Fleet Foxes, hier waren ineens tienduizenden mensen die alles woord voor woord stonden mee te zingen! Ik voelde het aan alles: ik was thuis. Vanaf dat jaar heb ik geen editie meer gemist.
Natuurlijk is niet te ontkennen dat er sindsdien geleidelijk aan veel is veranderd. In 2012 was het bijvoorbeeld nog een controverse dat Skrillex mocht headlinen, dat was voor veel mensen way too elektronisch voor de Alpha. De harde beats bleven in principe beperkt tot na twaalven in de Bravo, verder was het ruwweg als volgt: overdag bandjes en indieplaten in de nacht. De 24-uurs tent stond buiten het terrein, dat in de vroege morgen dan ook dicht ging. Ze draaiden er gezellige hitjes en als je er gezien werd met iets verdovends, kon je linea recta naar het festivalkantoortje van het OM voor een prent.
Nu, dik tien jaar later, is dat allemaal ondenkbaar. De techno klinkt al ver voor de zon onder is gegaan, EDM-headliners zijn de normaalste zaak van de wereld en Job Jobse is een veel grotere Lowlands-ster dan, pak ’m beet, Vampire Weekend.
Ik kan niet ontkennen dat ik weleens met nostalgie terugdenk aan mijn eerste edities, waar je bands als Moss nog kon tegenkomen in de Alpha en Wilco nog tweeënhalf uur de ruimte kreeg om de zondag af te sluiten. Maar zonder verandering geen vooruitgang, bovendien is er voor figuren zoals ik natuurlijk nog meer dan genoeg ‘muziek-muziek’ in de blokkenschema’s te vinden.
En het mooiste aan Lowlands is en blijft dat ouwe lullen er niet bestaan, iedereen is er thuis! Dus wie wil beweren dat er geen mens meer is die puur voor de muziek naar een festival gaat, mag zich deze zomer aansluiten bij Mart en mij, twee irritante mannetjes die drie dagen lang kriskras over het terrein rennen. Van mooi concert naar mooi concert.