Niet zo heel lang geleden stond er een man vlak voor mij David Bowie te duiden. Het bekende verhaal. Zijn mime-achtergrond werd hem vergeven. Lulden we verder niet meer over, Bowie die midden in een concert net deed alsof hij opgesloten zat in een glazen kooi. Zijn zelfgebreide balletpakjes met twee drukknoopjes onder zijn ballen: zand erover.
Hij kneep ook een oogje dicht bij de periode met Nile Rodgers, die Bowie liet klinken als het achterlijke neefje van Chic. Even goede vrienden. Maar Bowie die op rolschaatsen over een podium reed en hangend aan zijn voeten langs een levensgrote glazen spin uit het plafond naar het podium zakte, dat was de grens. ‘Nooit meer een noot geluisterd, met zijn Black Star. Trap onder zijn bruine sterretje! Over de doden niets dan slechts.’
Ik gaf hem, ondanks mijn twee jaar vervangende dienstplicht omdat ik iedere vorm van geweld verwierp, een klap op zijn wang. Zo’n klassieke klets, als in The Bold And The Beautiful. Ik begon ook te praten als alle mannen in die serie. ‘Nooit, nooit, hoor je, nooit meer zo over Bowie praten. Begrepen?’
Zo zat ik in de Bowie-wedstrijd. Ik vergaf hem alles omdat hij mijn leven kantelde. Die rare cut-up-techniek – woordjes uit een boek knippen, beetje mee schuiven en hopla, weer een nieuwe tekst – vergaf ik hem royaal. Het was namelijk David Bowie die mij op 15-jarige leeftijd in aanraking bracht met alles wat binnen ons arbeidersgezin werd gezien als overdreven gedoe van werkschuw tuig. Bowie bracht mij in aanraking met het surrealisme en de vrije wil.
Op 13 mei 1976 zag ik David Bowie in de Ahoy te Rotterdam. Het voorprogramma herschikte mijn hersenen. Bowie liet op een groot scherm het surrealistische meesterwerk Un Chien Andalou zien van de surrealist Luis Buñuel. Met duizenden mensen tegelijk keek ik naar een oog waar een scheermes doorheen gleed.
Ik herinner mij het opkomen van de band en daarna, slepend, dreigend en dreunend als een naderende trein, het intro van Station To Station. Nog geen Bowie te bekennen. Ik voelde daar voor het eerst het verschil tussen jongenskamers, de voorzichtig op de draaitafel gelegde lp en het werkelijk aanwezig zijn bij een concert.
Daar was hij. Gegil, gedoe, een korte omhelzing van mijn neef Wim, de gitaar van Carlos Alomar, de drums en zo mooi, zo mooi, dat we allemaal wisten wat de eerste zin zou zijn. De zin die ik op mijn kamertje honderden keren had meegelispeld: The return of the thin white duke…’ Ik hoorde het uit honderden kelen om mij heen. We zongen het mee, maar we hadden geen idee waar hij het over had. Pas bij het vierde liedje kon ik weer spreken. Word On A Wing. Verpletterend.
Na het optreden was mijn nicht zoek. De volgende dag hoorden we dat ze Bowie achter de Ahoy had zien wegrijden in een zwarte auto. Hij zwaaide niet. Thuis draaide ik Station To Station nog eens en op een of andere manier had ik er wel vertrouwen in, dat leven van mij.