Maxwell’s in Hoboken, New Jersey, opende in 1978 in een achterkamer van een restaurant, met plek voor nog geen tweehonderd man. In die onwaarschijnlijke setting groeide de club uit tot een mythische plek in de Amerikaanse indiescene. De documentaire No Backstage at Maxwell’s van regisseur Paul Rachman (American Hardcore) wil dat erfgoed nu veiligstellen en doet dat met een arsenaal aan archiefbeelden, foto’s en interviews met muzikanten, barpersoneel, de oprichter en fans.
De titel is letterlijk bedoeld: er was geen backstage. Bands kleedden zich om in de keuken of baanden zich dwars door het publiek een weg naar het podium. Kurt Cobain stond in 1989 tussen de pannenkoekenmix zijn gitaar te stemmen. Hüsker Dü, The Replacements en Sonic Youth deelden de bar met hun publiek.
Huisband Yo La Tengo maakte van Maxwell’s hun jaarlijkse Hanukkah-residentie, waar Lou Reed of David Byrne zomaar als verrassing op de bühne verschenen. Ook R.E.M., Nirvana, Soundgarden, Red Hot Chili Peppers, The White Stripes, Wilco en zelfs New Order deden er memorabele shows, vaak nog voordat de zalen groter werden en hun roem internationaal.
Op de Amerikaanse rockkaart stond elke zaal voor een stad en een geluid. The Fillmore in San Francisco belichaamde de psychedelische revolutie, CBGB’s in New York werd de kraamkamer van punk en new wave en de 9:30 Club in Washington DC het epicentrum van hardcore en alternatieve rock. In dat rijtje vertegenwoordigde Maxwell’s iets subtielers maar niet minder invloedrijks: de intieme achterkamer waar de Amerikaanse indiescene haar vorm vond.
In 2013 sloot Maxwell’s voorgoed, slachtoffer van stijgende huren en een veranderende buurt. Regisseur Rachman benadrukt de blijvende betekenis van de club: ‘Maxwell’s wasn’t just a club, it was a community. It was a proving ground. It was where music scenes collided, friendships were forged, and bands found both their audience and their soul.’