Eind november 1977 zat ik vlak naast een herenkapper van een jaar of 73 een tijdschrift te lezen. Het was in Amsterdam-Noord. Mijn neef Wim zat met een laken om zijn nek op de kappersstoel en gaf antwoord op de vraag: ‘En hoe willen we het geknipt hebben?’ Hij zei: ‘Punk graag.’ Dat viel niet in goede aarde. Of we wel begrepen dat knippen een vak was. Dat je daarvoor naar een kappersschool moest. Mijn neef bleef strak voor zich uit kijken. We hadden dit geoefend op zijn kamer. ‘Punk graag.’ Zes minuten later stonden we weer buiten. Ik keek naar Wim. Ik telde drie kale plekken. Het leek alsof een dronken poliopatiënt met houtlijm lukraak wat plukken haar van een vorige klant op het hoofd van mijn neef had geplakt.
We wisten waar we het allemaal voor deden. Het concert van The Stranglers op maandag 28 november. Een kutdag, maandag, maar daarom juist wel weer heel erg punk. Konden we mensen uitlachen die naar hun werk gingen. We hadden kaartjes voor het tweede concert. Dat zorgde voor een onbehaaglijk gevoel. Een dag eerder hadden Hell’s Angels huisgehouden in Paradiso. De berichten daarover in de krant waren aandoenlijk. Punk in Nederland, oké, maar konden we het in godsnaam wel een beetje gezellig houden? Dat werk.
Ik leerde veel, die maandagavond. Dat het slagje in mijn gekamde haar nogal wat agressie opriep én dat punk met een orgel op het randje van kitsch hing. Ik kon het toen, die avond, niet verwoorden, maar ik weet nu, bijna vijftig jaar later, wat mij die avond stoorde: het vakmanschap. Dave Greenfield speelde orgel met tien vingers tegelijk en hij liet zijn instrument heel. Ik zag hem aan knopjes draaien. Deze man begreep wat hij deed. Bassist Jean-Jacques Burnel speelde bas zonder naar zijn vingers te kijken. Hij keek ons tijdens No More Heroes recht in ons smoelwerk. De dragende en tevens epische baslijn in Peaches speelde hij met getuite lipjes. Hij keek naar de mensen op het balkon, zodat die er ook een beetje bij hoorden. Het was showbizz all the way.
Nu denk ik: wat een tragisch publiek waren wij. Wat wilden we graag punk zijn. We wilden graag een liedje met een lekkere melodielijn erin en een orgelgeluid dat we kenden uit het muziekkamertje van onze vader. Wat was ik die avond een tragische neppunker. Ik droeg een omgekeerde jas van mijn moeder en een zelfgemaakt T-shirt. Vlak onder mijn tepels had ik twee pijlen getekend. Daaronder had ik de naam van een nog niet bestaande band geschreven: The Random Nipple Erections. Pas jaren en jaren later raasde de schaamte weer door mijn lichaam toen ik in Please Kill Me – het onvolprezen standaardwerk over de Amerikaanse punkbeweging – las dat het een tekst was op een shirt van Richard Hell. Waar had ik dan in godsnaam mee rondgelopen? Het antwoord is: met het kapsel van een meisje en een shirt met keurig geknipte scheurtjes. Ik had de hele avond boterzachte tepels