Ik aarzel om in het decembernummer terug te kijken. Ik weet hoe vervelend dat kan zijn. Dan denk ik vooral aan mijn Oom Luuk, die helemaal geen oom was, maar die wij wel allemaal zo noemden. Mijn vader op zijn knietjes voor de draaitafel met een nieuwe lp van The Beatles en dan Oom Luuk. ‘Ze hebben het allemaal van Rob de Nijs. Die zat vaak bij ons in het koffiehuis. Zei ik tegen Rob: hoor dan, heel zachtjes tikt de regen tegen het raamkozijn. Zat ik drie maanden later met zijn single in mijn hand. Nee, niet boos. Trots. Via Rob is dat uiteindelijk allemaal bij The Beatles terechtgekomen en die hebben er weer iets nieuws van gemaakt.’
Het was ook levensgevaarlijk om tijdens een verjaardag de naam Prince te laten vallen. Allemaal vonden ze hem al goed toen hij nog niet in zijn ondergoed optrad en zijn gitaarhals likte. ‘Toen hij bejaarden waste in Minneapolis vond ik hem goed.’
Toch wil ik ook niet doen alsof dit een doodgewone OOR is. Laat ik daarom een paar concerten noemen die een onvergetelijke indruk op mij maakten. Ik denk meteen aan mijn eerste keer Ian Dury & The Blockheads in Paradiso. Nooit begon een concert beter. Licht uit, zaalmuziek uit, een synthesizer en nog niemand op het podium. Daarna kwam de band op. Nu weet ik, omdat ik er zelf ooit tijdens een poëzieavond met een gedicht in mijn hand stond te wachten, dat alle Blockheads op een doodeng steil trapje achter het gordijn stonden.
Daar kwamen ze. Gitaren om, nog steeds die synthesizer, maar nu met een piano erbij. De heerlijkste vier tikken vooraf die ik mij herinner en dan het belachelijk funky intro van Wake Up And Make Love With Me. Het duurde maar en het duurde maar. Nu weet ik: Ian Dury, poliopatiënt, moest door drie man het trapje op worden getild. En daar was hij. Met de tred van iemand die net in zijn flank is geschoten slingerde hij zich zijwaarts naar de microfoon. Ian greep de microfoonstandaard. Gejuich uit de zaal. En dan de eerste zin: ‘I come awake / With the gift for womankind.’
Jaren later. Weer Paradiso. Marc Almond stopte midden in een liedje. Huilen. En niet een beetje huilen, nee, echt met lange halen. Hij maakte gebaren naar de band. Stilte. Zijn stem had het begeven. Weer een huilbui. Wij bleven allemaal staan en zeiden niets. Er was kort overleg op het podium en toen Marc weer naar de microfoon. Of wij het goed vonden als hij even wat thee en honing ging drinken in de kleedkamer. Misschien werd het beter.
Ik zag Paradiso toen op zijn best. Prima joh, ga lekker je gang, Marc. Wij vermaken ons wel. Mooi plafond eigenlijk hier. Een half uur later weer wat beweging op het podium. Weer huilen en daarna een van de mooiste versies ooit van Ne Me Quitte Pas van Jacques Brel. Niet veel jaren later voorgoed kapotgemaakt door Jiskefet. Michiel Romeijn lallend in een muskietenpak aan de bar.