het poparchief

De kennismaking met Steely Dan: kunstpenis en sambaballen (1974)

In 1974 maakte OOR’s Bert van de Kamp persoonlijk kennis met Steely Dan. Een ‘zeer opmerkelijke’ groep waar hij – naar aanleiding van Can’t Buy A Thrill (1972) – nogal enthousiast over was. In zijn poging de groep te doorgronden krijgt hij hulp van Donald Fagen en Walter Becker zelf.

Het Poparchief komt tot stand in samenwerking met Collectie Nationaal Pop Instituut, onderdeel van het Allard Pierson – De Collecties van de Universiteit van Amsterdam.

In Naked Lunch, het beroemde boek van William S. Burroughs, komt een jonge dame voor, die zo eenzaam is dat ze er maar liefst drie kunstpenissen op na houdt, die ze Steely Dan I, Steely Dan II en Steely Dan III noemt. Als beginnende rockband moet je wel erg grote plannen en veel lef hebben om je onder de naam ‘Steely Dan’ aan te dienen, lijkt mij. Dat klopt ook wel in ons geval. Sinds ze zich in 1972 formeerden, hebben de jongens van Steely Dan zich altijd weinig bescheiden opgesteld. Op de hoes van hun eerste elpee lieten ze al schrijven: ‘Deze pas geformeerde groep dreigt de fundamenten van de roek-elite te ondermijnen.’ Die eerste elpee, Can’t Buy A Thrill (’n regel uit Bob Dylan’s It takes a lot to laugh, it takes a train to cry), was dan ook om meer dan één reden uiterst opmerkelijk. 

Eerst was daar de hoes: een felgekleurde collage met o.a. een bloot meisje op de rug van een bokser, een straatje met hoeren, een tros bananen, een paar roodglimmende fellatio-lippen en nog wat kleurrijke slangetjes. Maar bij een hoes moet je nooit – hoe mooi die ook is — te lang stilstaan. Ook de muziek was zeer opmerkelijk. Na één nummer, het openingsnummer Do It Again, wist je al genoeg. Hier kondigde zich een groep aan die het ver zou brengen. Een groep met een eigen zeer oorspronkelijk geluid, met scherpzinnige teksten, een weldadige ervaring voor het zo verwende OOR. Inmiddels zijn er drie Steely Dan-platen op de markt en de groep heeft de enthousiasten van het eerste uur niet teleurgesteld. Countdown To Ecstasy en Pretzel Logic vormden welkome uitbreidingen, zonder dat het typische SD-geluid van de eerste plaat verdwenen is. ‘Steely Dan? Yes, I went out the other day and bought all their albums. Their vocalist is very good.’ (Bryan Ferry in NME, 4 mei 1974).

De kern van de groep wordt gevormd door Donald Fagen en Walter Becker, twee uit New York afkomstige ex-studenten, die vóór ze hun eigen band formeerden al enige tijd een vast songschrijversduo vormden. Fagen is lang en mager, kijkt altijd nogal donker uit zijn huid, loopt met een wat gekromde rug (pianistenkwaal) en houdt ervan zijn omgeving met allerlei extreme meningen over allerlei zaken wat te provoceren. Becker is een nogal stil type, brilletje op, appelwangen, kleiner dan Fagen, maar in zijn uitspraken niet minder scherp. Beiden komen er rond vooruit meer van jazz te houden dan van rock. 

Fagen: ‘Ik ben de laatste vijf jaar maar zo’n vijfmaal naar rockconcerten geweest en de meeste ervan waren Frank Zappa-concerten. Ik ga liever kijken naar de Gil Evans Big Band of Thelonious Monk. We zijn er eigenlijk een beetje uit wat rock betreft.’ Jazz-invloeden zijn in de muziek van Steely Dan dan ook onmiskenbaar aanwezig: ingewikkelde akkoordenschema’s en solo’s, waarvan ze zelf zeggen: ‘The solos we do are not the usual rock and roll blues solos using only six notes on the scale that any kid can do. Our solos are a little more sophisticated.’ (Fagen) Als eerbewijs aan de jazz zou je het kunnen opvatten dat de groep op hun laatste album het nummer East St. Louis Toodle-Oo van Duke Ellington en Bubber Miley heeft opgenomen. Ellington wordt ook maar eenmaal 75, nietwaar. Het is de enige maal dat Fagen en Becker een nummer opnamen dat ze niet zelf geschreven hadden. 

IRONIE

Ondanks hun voorliefde voor jazz, blijven Fagen en Becker niet helemaal ongevoelig voor wat er in de jaren zestig in de popmuziek gebeurt: Beatles, Rolling Stones, Bob Dylan. Heimwee naar die gouden jaren van de rock vormt ook een drijfveer voor Steely Dan, hetgeen men – zo men wil – ook op hun drie platen kan horen. Fagen (‘Mijn moeder was een tijdlang nachtclubzangeres.’) studeerde muziek, maar stapte op een gegeven moment over op literatuur. Samen met z’n vriend Becker vormde hij een eenvoudige ritmesectie (piano – bas), die zich voor allerlei zaken liet huren. Ook schreven ze af en toe samen songs. Ze ontmoetten Denny Dias, gitarist, die later ook deel zou gaan uitmaken van Steely Dan, en samen zijn ze op een gegeven moment begeleiders van Jay and the Americans met wie ze een jaar op tournee gaan.

‘We waren slechts huurmuzikanten in de begeleidingsgroep’, aldus Becker, ‘We schreven songs, maar niet voor Jay.’ ‘Wel, we schreven één song voor Jay, maar hij vond het niets’, voegt Fagen er aan toe. Muzikaal was die periode voor de vrienden weinig bevredigend, financieel uiterst nuttig. Toch aarzelden ze niet toen een vriend, Gary Katz, stafproducer bij ABC-Dunhill in Los Angeles, hen vroeg of ze geen zin hadden om als vaste songschrijvers in dienst van zijn platenmaatschappij te komen. ‘Ze gaven ons iemands kantoor met een abominabele piano erin en we begonnen de ene hit na de andere eruit te hameren’, zegt Becker ironisch. Het duurde echter niet lang of ze merkten dat het helemaal niet werkte, omdat de ‘hits’ waarmee ze voor de dag kwamen zo ongebruikelijk en eigenaardig waren dat niemand ze wilde opnemen. ‘We wrote some songs so cheesy the Grass Roots wouldn’t do them’, aldus Becker. En Fagen; ‘It’s essentially imitating whatever you hear on the radio and putting it out eight or ten months later. Toch zijn er enkele Fagen-Becker composities op platen terechtgekomen. Platen van bijvoorbeeld Barbra Streisand, Jose Feliciano en John Kay.

CHA CHA CHA

Langzaam aan begon het idee te rijpen zelf maar een groep te beginnen. Gary Katz zag wel iets in het materiaal dat de vrienden schreven, al bleven de bedoelde hits uit. Fagen: ‘We knew our songs were conceptual songs for a group, so Gary found us a group.’ En hier begint eigenlijk pas de moderne sage van de groep ‘Steely Dan’. Donald Fagen voor de keyboards, Walter Becker op bas en Denny Dias, die weer op dook en gitarist werd voor de groep. De andere kunstpenissen werden door Katz ‘georganiseerd’ uit een legertje loslopende westcoastmuzikanten, zoals drummer Jim Hodder (afkomstig uit Boston en de groep ‘Bead Game’), gitarist, pedalsteelspecialist Jeff Baxter, bijgenaamd ‘Skunk’, evenals Jim oorspronkelijk uit Boston, alwaar hij deel uitmaakte van de legendarische ‘Ultimate Spinach’. 

Als zanger werd David Palmer aangetrokken, waarover we verder niet veel zullen zeggen, omdat hij de groep halverwege de opnames voor de tweede elpee alweer verlaten had. En daar Palmer er pas bij kwam toen de eerste elpee bijna voltooid was, was zijn inbreng vrij minimaal, hoewel niet volledig te verwaarlozen. Op de eerste elpee hoor je hem zingen in Dirty Work en Brooklyn. Die eerste plaat, Can’t Buy A Thrill, was vrijwel onmiddellijk een groot succes. De plaat belandde in de Amerikaanse elpee top 20 en de single Do It Again, was een top 10 hit. 

Do It Again, is een schitterend nummer. Gebouwd op Latijns-Amerikaanse basisritmen wordt de menselijke neiging om steeds weer de eigen stommiteiten te herhalen, uiterst treffend bezongen. Solo’s op een elektrisch versterkte sitar en een plastic orgeltje geven het nummer nog iets fremdkörperisch mee. Het geluid van sambaballen, de bossanova- of cha-cha-cha-achtige ritmen zijn op veel Steely Dan-nummers aanwezig en geven daaraan een zeer relaxte eigen sfeer. 

Andere hoogtepunten van die eerste plaat: Dirty Work, meer gericht tegen een bepaald type vrouw, dan tegen vrouwen in het algemeen, zoals ik ergens las; Kings (de koning is dood, leve de koning); het melancholieke Midnite Cruiser of het uiterst cynische Only A Fool Would Say That met regels als: ‘Anybody on the street has murder in his eyes / You feel no pain and you ‘re younger than you realize.’ Ook Reelin In The Years mag er wezen. Er zit een fraaie put-down in aan het adres van al die pseudo-mystici, die men wel tegenkomt, wartaal uitkramend. ‘You’ve been tellin’ me you’re a genius / In all the time I’ve known you / I still don’t know what you mean.’ De lezer moet het nu wel duidelijk zijn: die eerste Steely Dan plaat is er een om te hebben. 

T-SHIRTS

Die tweede trouwens ook: Countdown To Ecstasy, een volgende stap naar de totale bevrediging, aftellen maar. In verschillende nummers wordt de blik naar het verleden gewend: I hear you are singing the song in the past / I see no tears / I know that you know it may be to last / For many years.’ (‘Razor Boy). ‘Ook hier weer sambaballen op de achtergrond plus prima functioneel vibrafoon-spel van Victor Feldman (! ) String Bass: Ray Brown. Dit voor de jazzvogels. Het verleden is ook aan de orde in: The Boston Rag en My Old School. You Gold Teeth speelt in het heden en bevat leuke zinnetjes als: ‘Torture is the main attraction/  I don’t need that kind of action.’ 

Kant 2 begint met Show Biz Kids, een krankzinnig, hypnotiserend nummer, waarin een meidenkoortje voortdurend zingt: ‘Go to Las Vegas’, lost wages’ en de Steely Danners zeer enthousiast de vreemdste zinnen uitkwelen: ‘They got the Steely Dan T-shirts and for the coup de grace, they’re outrageous /  Go to lost wages, lost wages’. Een song naar m’n hart, zo heb ik ze graag. De song eindigt, zoals het hoort: in een complete chaos. Pearl of The Quarter gaat over een hoertje in New Orleans: ‘She stole my heart with a Cajun smile / She loved the million dollar words I say.’ En de plaat wordt afgesloten door een andere intrigerende song: King of The World met een onheilszwangere tekst.

LIVE

De nieuwste Steely Dan-elpee, Pretzel Logic, lijkt op de eerste, meer dan op de tweede. Dat betekent: kortere songs, kortere instrumentale breaks, eenvoudiger melodieën, snel mee te neuriën, kortom: hij is wat kommersjeler van opzet. Dat vind ik geen bezwaar, want in het geval van Steely Dan betekent dat nog altijd: kwaliteit. De plaat werd onlangs nog uitvoerig in deze krant aangeprezen, zodat we er nu beter niet uitvoerig op ingaan. Vastgesteld alleen dat de plaat meer blazers- en strijkers- arrangementen bevat dan de voorgaande twee. Een uitbreiding van de muzikale mogelijkheden, een breder geluid, enzovoorts. 

Weldra staan ze dan ook in Nederland te spelen, live!, op 3 en 4 juni. De verwachtingen van velen zijn hooggespannen. Niet zonder reden, naar ik met het bovenstaande hoop te hebben duidelijk gemaakt. Na enige tijd als supportact van o.a. Elton John, Uriah Heep en The Kinks door de States getoerd te hebben, heeft de groep onlangs de eerste toernee als top-of-thebill achter de rug. En zij die erbij waren, komen met enthousiaste verhalen. 

Fagen is de centrale man, ook op het podium. Zijn piano staat midden op het toneel en af en toe komt hij erachter vandaan om, niet de rug naar het publiek toe, de band te dirigeren! Veel accent op de percussie-instrumenten. Begrijpelijk, voor wie met de platen bekend is. Twee drumkits en een conga-speler. Daarbij gevoegd de twee leadgitaren van Baxter en Dias zorgen, aldus de berichten, voor een Santana-achtig gebeuren. Of de twee magere chicks, die de band bij tijd en wijle laat aanrukken voor extra vocale bijstand, er hier ook bij zullen zijn, is een vraag waarover men zich maar niet te lang het hoofd moet breken. De Dan komt, dat is het belangrijkste. En aan het slot van het concert zullen we roe-i pen: ‘Come back. Jack, and do it again!’ 

Deel dit artikel

Meest gelezen artikelen

OOR ontsluit de pophistorie: elke dag een klassiek verhaal!
het poparchief

OOR ontsluit de pophistorie: elke dag een klassiek verhaal!

We gaan iets leuks doen. Nu heel het land toch zo'n beetje in lockdown zit, unlocken wij het OOR-archief. Of minder ...
Blauwe Vear
album
Jack Poels

Blauwe Vear

‘Een Americana-album uit America’, zo noemt de trotse labeleigenaar het. Een ex-Limburger die het ook was opgevallen dat zanger-liedjesschrijver Jack ...
Gigaton
album
Pearl Jam

Gigaton

Bijna zeven jaar hebben we erop moeten wachten: een nieuw Pearl Jam-album. OOR’s meest gestaalde Pearl Jam-watcher recenseert 'Gigaton', track ...

De kennismaking met Steely Dan: kunstpenis en sambaballen (1974) | OOR