special

Beck 50 jaar: de 20 beste songs van een schlemiel

Gestript van zijn troubadourskloffie (sjaal, hoed, lange haren) wordt het weer eens duidelijk: de jaren hebben geen vat op Beck (50) – niet op de man, niet op zijn muziek. Na het sukkeldrafje van Morning Phase (2014) is hij weer helemaal back als blitse popvernieuwer – met een slim-fit maatpak aan het lijf en de ogen op de hitparade. We vieren het met confetti (paf!) en een Top 20 van zijn beste songs, schaamteloos subjectief gerangschikt door de grootste fanboy in het schrijversteam. Tevens bruikbaar als hitchhiker’s guide door het hotsende-botsende Beck-universum.

20. Devil’s Haircut

Opener van doorbraakalbum Odelay (1996), startschot van zo’n beetje elke Beck-show en daarmee ook de vanzelfsprekende opener van deze lijst. Vanaf het moment dat de gitaarriff zich laat horen – en dat is meteen – wordt duidelijk dat hier ruwe jongens aan het werk zijn. Dust Brothers heten ze, de knoppenwonders die eerder The Beastie Boys een productionele schop onder hun hol gaven (Paul’s Boutique), zich onsterfelijk maakten met de soundtrack van Fight Club, de Hanson-broertjes hun ene hit schonken (‘mmmbop, ba duba dop’) en zich hier aansluiten bij nog zo’n vermeend one-hit-wondertje: Beck. De openingsriff leenden ze van Thems sixtieshit I Can Only Give You Everything om die vervolgens, zonder enig overleg met de bovenburen, te voorzien van een vette overdrive en vingerknippende Motown-beat. En dan komt Beck cooltjes het nummer binnenschuifelen: ‘Something’s wrong ‘cause my mind is fading / Everywhere I look there’s a dead end waiting’. Wat er precies loos is? Geen idee. Wie Beck leerde kennen via Loser (1994) wist al dat hij geen potloodsabbelende poëet is, maar iemand die graag zijn microfoon volspuugt met nonsense teksten. ‘Heads are hanging from the garbage man trees’ – bladiebla. Dondert niet. Wat Devil’s Haircut anno 1996 bewijst is dat Beck meer is dan ‘that Loser-guy’, die ergens tussen alle onzin door verklaart waar het hem en de stofbroeders om te doen is: ‘Rock and roll, know what I’m saying?’ Yes we do.

19. MTV Makes Me Wanna Smoke Crack

B-kantje van Loser (1993) en een vroege Beck-klassieker. Hij werkte in een videotheek toen hij dit nummer schreef, waarbij de slackerfilm Clerks (uit datzelfde jaar) al snel op het netvlies springt; een 24-jarige no-life die zijn dagen vult met prietpraat over seks, meisjes en Star Wars, om na sluitingstijd hersendood naar MTV-video’s te kijken tot het kwijl uit zijn mondhoeken loopt – zie hier: MTV Makes Me Wanna Smoke Crack. Een ode aan de nineties, toen de jeugd zich al bingewatchend (of hoe noemden we dat toen?) een verwrongen wereldbeeld liet opdringen door muziekvideo’s, precies zoals Beck in die tijd: ‘All the colors are nice / and the pictures are nice / and the girls are nice / and EVERYTHING’S SO NICE!!!’ Die laatste zin spuugt hij uit, manisch, terwijl hij zijn knokkels stuk slaat op steeds weer diezelfde vier akkoorden. Ja, de tekst is hilarisch (‘I watch those videos / I wanna plug ‘em in my eyeballs’), maar verbeten gezongen door iemand die weinig hoop heeft dat hij het ooit verder schopt dan de videotheek. Voor de context: kort nadat Beck dit nummer had geschreven werd hij ontslagen. Het was zijn laatste bijbaan voordat A-kantje Loser hem uit de slootkant zou trekken.

18. Asshole

Geen drums, geen samples, geen beats. Beck laat zich slechts begeleiden door een lullig schud-eitje in dit schitterende nummer van One Foot In The Grave (1994). Hij zingt het zo goed als naakt. Voelt zich ook zo, emotioneel uitgekleed door een meisje dat hem (24 jaar en nét doorgebroken met Loser) heeft verlaten na wat even een hoopvolle romance leek. Hij verwerkt de afwijzing zoals jongetjes van zijn leeftijd afwijzingen verwerken: slecht, met een gevoel van pure vernedering (‘She makes you feel embarrassed / to be the fool you know you are’). Hem is onrecht aangedaan, uiteraard. Gekrenkt in zijn trots – mannenleed is altijd ondraaglijker dan vrouwenleed – gebruikt hij zijn poëzie om haar voor slet uit te maken (‘She took back her love and put it out into the sun’). Akkoorden worden vreugdeloos aangeslagen, Beck kucht en sneert (‘She’ll do anything to make you feel like an asshole’), het eitje schudt verbeten door. Valt er ook nog wat te lachen? Nope. Hij mag dan wel net succes hebben met zijn major label-debuut Mellow Gold, drie maanden later staan zijn nummers weer in mineur. Zo waren de jaren negentig: een commerciële doorbraak vierde je met een pistool tegen je kop.

17. Morning

‘I woke up this morning.’ Een weinig originele openingszin, meestal afkomstig uit de mond van een door drank en leven aangetaste bluesman die beseft dat er relationeel/existentieel iets goed mis is. Maar in het geval van Morning, de trage opener van Morning Phase (2014), valt er weinig te smullen van andermans leed. Beck lijkt vooral te ontwaken met het besef dat er geen reet gaat gebeuren vandaag. Zo klinkt hij tenminste, hoorbaar ingezongen met de ochtendmeur in zijn mond, langzaam ontwakend op een akoestisch sukkeldrafje. Waarom hij dat slome tempo vervolgens de godganse veertig minuten van het album aanhoudt – en daarvoor ook nog eens werd beloond met een hoop jubelrecensies en een Grammy – mag een raadsel heten (vond Kanye ook), maar goed, dat weet je ter hoogte van deze opener nog niet. Een song die klinkt als een verwachtingsvolle ochtend, in de wax gezet door arrangeur David Campbell (Becks vader) en stevig opgeboend tot elke strofe glimt. Wegens eerdergenoemde bezwaren wel het énige Morning Phase-nummer in deze lijst.

16. Paper Tiger

Ondanks de overeenkomst in haarkleur, haardracht, huidtint, schouderbreedte, manier van praten, jongensachtige voorkomen, fijnbesnaarde muzieksmaak en algehele attitude is Beck dus níet de zoon van Thurston Moore. Wel van David Campbell, wat dan weer een tweelingbroer van de Sonic Youth-voorman had kunnen zijn. Verwarrend allemaal, maar luister Paper Tiger en je begrijpt waar Beck zijn muzikaliteit vandaan heeft. Het strijkkwartet – dat steeds als een toevallige passant door het nummer schuifelt – komt van hem: een befaamd arrangeur van honderden hitalbums, met klanten als Adele, U2, Muse, Michael Jackson en The Rolling Stones. Hij hielp zijn zoon (die de achternaam ‘Hansen’ van zijn moeder heeft) bij het maken van Sea Change (2002), het breakup-album waarop dit nummer staat. Beck heeft net ontdekt dat zijn verloofde (stiliste Leigh Limon) hem besodemieterde met een bandlid van zijn voormalige voorprogramma Wiskey Biscuit. Einde relatie en het begin van een breedgedragen fanfavoriet. Op Paper Tiger hoor je de scherven van zijn gebroken hart bijna rinkelen in zijn borstkas, slechts overstemd door de strijkers die in al hun weelderigheid een buiging maken naar Serge Gainsbourgs Histoire De Melody Nelson (1971). Mooi? Móói!

15. Sexx Laws

De hersenspinnende opener van Midnight Vultures (1999), waarop Prince, nee, Beck opeens met pirouettes, gilletjes en een iets te strakke maillot zijn funkperiode inluidt. Dat moet vooral schrikken zijn geweest voor banjospeler Herb Pedersen; die had vast een bluegrass-sessie verwacht toen hij zich in de studio meldde, maar omdat Beck toevallig net into seventies funk was, werd hij – zo’n traditionele folkie met snaren op zijn ribbenkast – plotseling tussen een dampend swingorkest gezet. Aldus begint de banjo halverwege het nummer aan zijn riedel, zich niets aantrekkend van zijn boerse voorkomen tussen al het grootstedelijke koper. De boel wordt voortgetrokken door een hiphopbeat, er klinken blazers, steel guitars, crazy piano’s en terwijl je je afvraagt hoe deze puinhoop in hemelsnaam zó coherent kan klinken, toont de voormalige sukkel Beck zich herboren als soulman: ‘I’m a full grown man but I’m not afraid to cry.’ Een duizelingwekkende demonstratie van muzikaal kameleonsgedrag.

14. Dead Melodies

Dead Melodies ondergraaft zijn zwaarmoedige titel met een gezellig walsje – een 3/4e maat die al snel wordt geconfronteerd met de onheilspellende openingszin: ‘Where will you go when this day is over?’ Ook dat is Beck: nare boodschappen verpakken in cadeaupapier, precies zoals zijn wijkgenoten Elliott Smith en Eels vaak deden/doen. Geen idee wat hier aan de hand is, maar volgens Beck hangen de vogeltjes ‘als rotte appels aan een boom’ en zingen ze ‘dode melodieën’, dus heel goed zal het allemaal niet zijn. De melodielijn van dit nummer daarentegen: prachtig! Een van de mooiste die hij ooit schreef, met als kers op de taart een solo op de klavecimbel. Het nummer is al in 1995 geschreven, maar komt pas tot ons bij het verschijnen van Mutations (1998) – Becks eerste samenwerking met Nigel Godrich, die een jaar eerder OK Computer produceerde en sindsdien zo’n beetje vastgekit zit aan Thom Yorke. Hij heeft dit nummer, eigenlijk heel het album, voorzien van een licht-psychedelische toon (zie ook: de nummer één in deze lijst). Ondergewaardeerd in de Beck-catalogus.

13. Modern Guilt

Persoonlijke anekdote: ik had vroeger een konijn genaamd Spunky (vernoemd naar het Eels-liedje), een wit, fluffy beest met twee hangoren en evenveel weekvullende hobby’s: poepen en slopen. We woonden jarenlang samen op dezelfde studentenkamer – Spunky, ik en mijn toenmalige geliefde – tot ik op een ochtend onaangekondigd de kamer binnenkwam en er een vreemde kerel onder de douche stond. Het beste dat ik kon verzinnen was mijn platen pakken, nog even zwijgend een sigaret roken en de deur uitlopen om nooit meer terug te keren, alles achterlatend bij mijn ex en haar net ingezeepte minnaar. Twee maanden later was Spunky dood. Maak me belachelijk, maar ik voel me nog altijd een beetje schuldig dat ik het konijn in de steek heb gelaten, een nalatigheid waaraan ik steeds word herinnerd door een van mijn aangevreten platen: de lp-versie van Becks Modern Guilt (2008). Het beest had de linkerbovenhoek weggeknaagd, waardoor er nu slechts één leesbaar woord overblijft op de zijkant van de hoes: ‘GUILT’. Ironie, een gemene fucker, zeker wanneer het beesten betreft. Zo sprak ik laatst een oude vriend die zijn goudvis Buckley had genoemd – naar Jeff. Die had zich op een dag uit zijn kom geworpen, om vervolgens – moeizaam naar adem happend – een omgekeerde verdrinkingsdood tegemoet te gaan. Ik bedoel: Buckley! Enfin, Modern Guilt is een mooi liedje over schuldgevoel. Op plek nummer dertien, dan maar?

12. Debra

Bedoeld als grapje? Een parodie op alle porno-r&b die de hitparade van 1999 opeens in de massage-olie zette? Waarschijnlijk wel. Niet voor niets werd Debra op het laatste moment geschrapt van Odelay, omdat ze door haar schepper ‘too jokey’ werd bevonden voor op plaat. Maar toen ze eenmaal een plekje kreeg op de toch al krols kijkende funkplaat Midnight Vultures, als albumafsluiter zelfs, groeide Debra tot een reusachtige live-favoriet waar de fans om schreeuwen als ze een avondje vergeten dreigt te worden. Iedereen wil Beck dit nummer horen zingen, het liefst op zijn knieën, terwijl hij als een gekooide tijger rusteloos langs de rand van het podium kruipt, smekend om de genegenheid van het meisje. Beck speelt even voor R. Kelly hier, de smooth talker die een dame uitnodigt in zijn auto (‘Ladyyy, step inside my Hyundaiii’) en haar zonder omwegen naar zijn slaapkamer rijdt. ‘I only wanna get down with you girl’, belooft hij haar om zich vervolgens meteen weer te bedenken ‘…and with your sister. I think her name is Debra’. Dat alles onder begeleiding van een vloeiende baslijn waarin je je kunt laten wegzinken als in een bubbelbad (weer zo’n geniale sample: My Love For You van Ramsey Lewis). Debra, een snol van een popsong, en daarom zo geliefd.

11. Cyanide Breath Mint

Terwijl de industry folks in 1994 wachtten tot Beck hen een biermand cadeau zou doen, bij wijze van bedankje voor het succes rond Loser, viel dit nummer opeens op de mat: een fier opgestoken middelvinger verpakt als folksong, gericht aan de a&r peepz (‘They got people to meet / shaking hands with themselves / looking out for themselves’). De achtergrond: Beck schoof zijn benen dagelijks onder een onderhandelingstafel in die tijd, om er vervolgens altijd weer woest vandaan te lopen. Capitol, Warner en nog wat andere giganten hengelden in 1993 tevergeefs naar de loyaliteit van de nieuwe boy wonder, negen maanden lang, tot er een revolutionaire deal met Geffen werd gesloten waarin feitelijk stond: Beck can do whatever the fuck he wants. Deed ie dus ook. De kale, akoestische rammelplaat One Foot In The Grave (waarop dit nummer staat) werd direct na het major label-debuut Mellow Gold opgenomen en uitgebracht op het piepkleine K Records. Een plaat die niemand wilde horen, maar later door fans werd omarmd als een van zijn beste (wat dan ook weer overdreven is). Het leverde Beck in ieder geval een status op als hoeder van de artistieke onafhankelijkheid. Dat hij later zélf een label begon onder de naam Cyanide Breathmint Music, getuigt van een fijnzinnige zelfspot.

10. Everybody’s Got To Learn Sometime

Nee, niet afkomstig uit eigen songsmederij en gestript van zo’n beetje alles wat een Beck-liedje een Beck-liedje maakt, maar wát een uitvoering. Bekend geworden als soundtrack van Eternal Sunshine Of The Spotless Mind (2004), of course, waardoor je tijdens het beluisteren altijd weer even aan die oranje, dan weer groene, dan weer blauwe haren van Kate Winslet moet denken. De magiër achter dit nummer heet Jon Brion, die middels een tik met zijn productionele toverstaf ook platen als Electro-Shock Blues (Eels) en When The Pawn… (Fiona Apple) van een gouden gloed voorzag, niet geheel toevallig artiesten die net als Beck in Silver Lake, Los Angeles wonen. Alle instrumenten – het slome orgeltje, de magere gitaarlijn, de tuimelende strijkers – zijn ingespeeld door Brion. Het enige dat Beck hoeft te doen is mooi zingen. En dat doet hij met plezier, gezien de vele keren dat het nummer deel uitmaakte van zijn livesets. Bij een cover horen ook biologische ouders: The Korgis hadden er al een hit mee in 1980, maar die hoef je echt niet meer te horen na deze versie.

9. E-Pro

Grootste hitsingle sinds Loser, opener van Guero (2005) en na al die oefensessies, burenruzies, gestrande relaties en stukgeslagen nepgitaren nog stééds niet helemaal in de vingers op Rock Band 2 (expert modus, let wel). Laatst de echte Stratocaster nog eens uit de koffer gehaald en geconcludeerd: zo ingewikkeld is de gitaarpartij in dit nummer helemaal niet. Hij is vooral hárd, op aangeven van de Dust Brothers door een batterij Mesa Boogie-versterkers gejaagd ter creatie van een loodzware en genadeloos in de maag stompende monsterriff. Ik bedoel: zelfs de maestro zélf hield fysieke ongemakken over aan E-Pro, toen hij tijdens de opnames van de bijbehorende videoclip ten val kwam en eenmaal bij de grond aangekomen zijn wervelkolom hoorde knakken. Heeft ie nog steeds last van. Waarom we Beck nooit meer lastig ogende danspasjes zien maken? Daarom. Hij is het nummer wel altijd blijven spelen, als hoogtepunt van de Morning Phase-tournee in 2014 zelfs, met luid applaus ontvangen op de maat van die rake drumsample uit Beastie Boys’ So Whatcha Want.

8. The New Pollution

Toe-doe toe-toe-doe doe-doe. Het begint luchtig, maar Beck constateert al rap dat er van alles mis is met het moderne leven. The New Pollution – ofwel nieuwerwetse vervuiling – staat voor information overload, de bytes die wereldwijd in één seconde over en weer schieten, de e-mails die nog vóór het ontbijt gelezen dienen te worden, de nieuwskoppen die prangende kwesties aansnijden, de nog te beantwoorden berichtjes van je ma, je pa en je lief, als ook de ‘grappige’ internetfilmpjes waar je collega’s steeds mee aankomen (‘Moet je dít zien!’). En dan was ‘t pas 1996. Beck stelt zich aan, maar een goed liedje is het wel, met een even jazzy als psychedelische drive (denk Tomorrow Never Knows van The Beatles) en een briljant gesampelde saxsolo uit Joe Thomas’ Venus (1976). Luister nog een keer goed en je hoort dat het eigenlijk een liefdesliedje is, opgedragen aan een meisje dat – onaangetast door al het digitale rumoer – haar eigen pad volgt: ‘She’s a boat in a stripmine ocean / riding low on the drunken rivers’. Weetjes voor aan de toog: de drumsample komt van Gus Poole’s Hallelujah, Alright, Amen (1970) en het toe-doe-intro hebben de Dust Brothers uit de groeven van een vocale, religieuze plaat gevist – obscuur, maar sinds deze hitsingle van Odelay fluit iedereen het mee.

7. Beercan

Naar de kroeg! Biertjes drinken! Jointjes roken! Overgeven! Beercan is een leuk feestliedje over een leuk feestje, waarop Beck (23) als eerste bezopen naar buiten strompelt met wartaal als gevolg: ‘I’m runnin’ like a flaming pig!’ Producer Karl Stephenson (zie ook: Loser) doet weinig moeite zijn vriend overeind te houden en schiet de ene na de andere bizarre sample in het nummer: een stukje kinder-tv van de Troetelbeertjes, iets dat klinkt als South Parks Mr. Hanky (‘Oooww yeah’) en een woeste noisebreak door specialist Buzz Osborne van de Melvins (die ook nog even hoi komt zeggen in de videoclip). Natuurlijk beginnen dit soort zuipavonden nooit zonder reden; zinnetjes als ‘quit my job blowing leaves’ en ‘telephone bills up my sleeves’ verraden de escapistische motieven van de jonge Beck, die ter hoogte van debuutalbum Mellow Gold (waar dit nummer op staat) nog weinig reden ziet om de avond eens níet kotsend onder de pooltafel af te sluiten. Al rap-zingend dwaalt hij rond, tot de ‘fluffy clouds and lovely rainbows’ zijn zorgen overschaduwen. Toch nog een mooie avond.

6. Mutherfucker

‘Everything I do is to try and FUCK YOU UUUPPP!’ Aan het eind van Mellow Gold ben je zo suf gebeukt door alle vrije-blije genrewisselingen dat je er niet eens meer van opkijkt wanneer Beck plotseling ‘fuck you, fuck you, fuck you’ scanderend aan de kroonluchter hangt. Dit is zijn poging om een Melvins/early Nirvana-song te schrijven. Dat hij daarin faalt, is typerend van ’s mans carrière, waarin elke poging tot persifleren per ongeluk uitmondt in een baanbrekende genreverschuiving. Maar ondanks dat allerlei kanten uitschietende oeuvre, is zijn kijk op de mensheid altijd aardig consistent gebleven: die deugt niet, en hijzelf evenmin. In Mutherfucker richt hij zich tot ene ‘Mr Asshole’ die genoeg kwaad gedaan heeft om een kopstoot te ontvangen (‘Why don’t you break your face on my head’), een grungesong die bedoeld is als vuistslag op de onderkaak, gestemd in dubbel dropped D voor extra impact. Zulke intense shit heeft Beck nooit meer gemaakt. Graag zo spoedig mogelijk weer in de setlist op te nemen ten bate van het betere duw- en trekwerk vooraan het podium.

5. Lost Cause

Er wordt al gezongen als je het nummer binnenstapt, alsof het achtergrondkoortje al aan het warmdraaien was toen producer Nigel Godrich op ‘record’ drukte. Zachtjes maken de stemmen een huilgeluid, zich bewust van de soap die zich zo dadelijk gaat voltrekken, het vervolg op de cliffhanger die je al een paar Sea Change-liedjes in spanning houdt. En dan speelt de gitaar, aaien de kwastjes over het drumvel en begint Beck te zingen: ‘Your sorry eyes cut through the bone / make it hard to leave you alone’. Hij negeert de luisteraar volledig en richt zich direct tot het meisje, een popliedje als afscheidskus, enkel en alleen bedoeld voor zijn verloofde die weinig charmant buiten de deur heeft gefucked. ‘Baby you’re a lost cause’, benadrukt hij nog maar eens met een kalme, zelfverzekerde stem, om daarna maar gelijk tot de uitkomst van zijn monoloog te komen: ‘I’m tired of fighting for a lost cause’ – ergo, ik ben ervantussen. Zijn koffers waren al gepakt, de discussies opgedroogd, en nu, aan het einde van het nummer, stapt hij op. Opent de deur, loopt naar buiten, slaakt nog een diepe zucht op 3 minuut 44 en sluit hem weer. De vervormde stemmen van het koortje sterven langzaam uit, je wilt blijven luisteren in de hoop dat hij nog terugkomt, maar weet dat het zinloos is.

4. Loser

Je kunt er lang en breed over lullen, zijn discografie voor de tiende keer doorlopen en elk nummer nog eens proeven, uitspuwen en weer herkauwen, maar er is geen nummer dat Beck zo definieert als zijn grootste hit. Hij onderging god-weet-hoeveel muzikale facelifts sinds hij daar in de keuken van producer Karl Stephenson stond, met slechts een zak Doritos, twee pizza’s en een achtsporenrecorder voorhanden, maar nooit vatte hij zijn artistieke DNA zo goed samen als in deze 3 minuten 55 seconden. De bluesy basis (op slidegitaar), de crossover naar moderne stijlen middels de gesampelde beat (van Johnny Jenkins’ I Walk On Guilded Splinters) en de achteloos willekeurige, volstrekt absurdistische doch hypermemorabele oneliners (inclusief de binnenkomer ‘In the time of chimpansees / I was a monkey’) – alles zou een blauwdruk blijken voor wat hij de daaropvolgende decennia zou maken. Ja, het maakte hem de ‘koning der slackers’, en ja, dat vond hij een bespottelijke stempel voor een muzikant die zich elke avond voor vier dollar per uur de blaren op zijn fikken speelde, maar hij is het altijd blijven zingen: ‘I’m a loser baby / so why don’t you kill me’ – destijds doelend op zijn eigen, onbeholpen rapskills. Het is ook geen oneliner om je voor te schamen (anders dan, pakweg, ‘I’m a creep’). Maar was hij écht een sukkel geweest, dan was Loser een ludiek hitje gebleven. Dat bleef het niet. Hij zou nog zestien even goede songs schrijven. En drie betere.

3. Walls

Trainwrecks! Walls coming down! Alles dondert in elkaar op dit sublieme liedje van Modern Guilt (2008) – inclusief het nummer zélf, dat elke vier maten over het gestrekte been van producer Danger Mouse lijkt te struikelen. Het geheim zit ‘m in de drumloop, die klinkt alsof er steeds een drumkit ondersteboven wordt geduwd. Gelukkig plompt de basgitaar onverstoorbaar door, wat Beck de gelegenheid geeft zijn verhaal te doen: ‘Hey, what are you gonna do / when those walls are falling down / falling down on you?’ Hij worstelt met het moderne leven, zoals op heel Modern Guilt (2008). De man die zijn benen drie jaar geleden nog probleemloos in spagaat legde, schrikt nu opeens van de vouwen in zijn kop wanneer hij zijn spiegelbeeld ziet (‘You’re wearing all of the years on your face / got a tombstone to fall into place’). Dat resulteert in de meest downe Beck sinds Sea Change (2002), hier geflankeerd door Cat Power die op eerbiedige afstand een paar zinnen meemompelt. De strijkpartij die hen tijdens het gemijmer begeleidt komt van Paul Piots Amour, Vacances Et Baroque (1968), liefelijk gesampled, als een muziekdoosje onder een doodsbericht. Misschien wel de laatste écht goede popsong die Beck heeft geschreven. En het gaat nog over teloorgang ook.

2. Where It’s At

Ofwel: Waar is dat feestje? Net als bij de ver-Hollandste variant laat het antwoord niet lang op zich wachten. Je hoeft alleen even het easy listening-intro uit te zitten, waarna Beck je meteen de weg wijst (‘There’s a destination a little up the road’) en je in een block party belandt waar Meneer Hansen zélf de platen spint: ‘I got two turntables and a microphoooone’. Hij is mooi aan het dagdromen hier. Wonend in een zwarte wijk, raakte Beck al vroeg gefascineerd door hiphop, maar als blonde lulhannes kwam hij de bijbehorende block party’s natuurlijk niet in. Dus bouwde hij er zélf een. De hiphopclichés vliegen je om de oren met alle ‘jigsaw jazz’, ‘get-fresh flows’ en ‘pulling out jives’, maar Beck zet het op geniale wijze naar zijn hand, laidback en zelfverzekerd, waarmee hij het slacker-stempel op zijn voorhoofd in 1996 eigenhandig weet te vervangen door ‘fonky white guy’. Het nummer (van Odelay) levert hem eveneens zijn eerste disstrack op. Ene MC Honky – een sample-artiest uit Silver Lake – bespotte zijn plaatsgenoot (‘what’s his name’) om zijn Grammy-nominatie in het hilarisch getitelde (I’ve got) 3 Turntables And 2 Microphones. Bleek achteraf gewoon ‘E’ van Eels te zijn.

1. Nobody’s Fault But My Own

Misschien lullig om het ten einde van zo’n lijst pas te melden, maar het beste Beck-liedje bestaat helemaal niet. Zal er ook nooit komen. Hij schrijft geen gespierde klassiekers die zich met vooruitgestoken borst een plek in de Top 2000 toe-eigenen, om aldaar (galileo galileo figaro!) victorie te kraaien. Beck schrijft veelal schlemielen van songs, die net als hun schepper zwijgend toekijken wanneer een of andere idioot – laten we hem Kanye noemen – hun shine probeert te stelen met gelul over artistieke integriteit. Geen van de eerdergenoemde liedjes zou op deze positie willen staan, dan nog liever op de B-kant van een geflopt singletje. Ze zijn het product van iemand die tot op heden 1154 nummers schreef (and counting), iemand die zijn grootste hit toevallig uit zijn mouw schudde en een breed, ideeënrijk oeuvre verkiest boven nummer 1-hits. Daarom, en omdat de samensteller van deze lijst toevallig een voorkeur heeft voor roestige songs, maar een nummer dat in al zijn bescheidenheid wel eens vergeten wordt: Nobody’s Fault But My Own. Afkomstig van het licht-psychedelische Mutations (1999), wat zich hier mooi laat horen. De sitar was het idee van producer Nigel Godrich, die eenmaal bevangen door de jankende drone maar gelijk een heel Indiaas tapijt uitrolde – met tambura, esraj en de viola van vader David Campbell. Vertrokken vanuit de klassieker Nobody’s Fault But Mine (van zijn held Blind Willie Johnson) speelt Beck ondertussen niets anders dan een bluessong, met ongeveer dezelfde akkoorden als The End (The Doors) en een schuldbewuste last op zijn schouders die je op den duur ook in je eigen onderrug gaat voelen. Altijd weer die hand in de eigen boezem. Sorry, ik ben ook maar een loser. Terugkijkend op een kwart eeuw muzikantschap valt dat allemaal reuze mee.

Deel dit artikel

Meest gelezen artikelen

Word nu lid van OOR en kies je eigen cd-pakket
abo-actie

Word nu lid van OOR en kies je eigen cd-pakket

OOR deelt uit! Neem een halfjaar- of jaarabonnement op OOR en kies je eigen cd-pakket. We hebben de keuze uit ...
Een halve eeuw zonder Jimi Hendrix: zijn 20 beste nummers
special
jimi hendrix

Een halve eeuw zonder Jimi Hendrix: zijn 20 beste nummers

Jimi Hendrix schuift in 1969 aan bij de Dick Cavett Show in een blauwe kimono. Het kledingstuk lijkt op een ...
'ESNS gaat door! Maar je vraagt je toch af: hoe dan?'
muziek in coronatijd

‘ESNS gaat door! Maar je vraagt je toch af: hoe dan?’

Ook voor de popmuziek zijn het ongekende tijden. In dit blog signaleert en bespreekt OOR-columnist Hooijer de ontwikkelingen in de ...

Beck 50 jaar: de 20 beste songs van een schlemiel | OOR