special

God’s hofnar: de 10 beste albums van Elvis Costello

Elvis Costello zit niet stil. 31 albums leverde hij sinds 1977 af, waarvan Hey Clockface dit najaar de meest recente is. Een stemmige, soms experimentele en bij vlagen uitbundige luisterplaat, die volgens onze recensent maar weer eens aantoont ‘wat voor een vrijzinnige meester Elvis Costello nog steeds is’. OOR gaat uiteraard een heel eind terug met de angry young man van weleer. Wij zetten zijn tien beste albums uit de afgelopen vijf decennia op een rij.

MY AIM IS TRUE

(OOR 16, 10 augustus 1977)

In de week dat die ándere Elvis het leven laat, meldt Declan MacManus zich aan het popfirmament met zijn debuut.

Zijn uiterlijk houdt het midden tussen een Buddy Holly op acid en een zwaar rockende Koot, zijn muziek tussen zestiger jaren rockabilly en zeventiger jaren r&b en zijn teksten tussen seksuele mislukkingen en zwaarmoedige trauma’s. Daarbij komt dat hij een te gekke lp heeft gemaakt en nog Elvis Costello heet ook. My Aim Is True is zijn lp (geproduceerd door Nick Lowe). My Aim Is True is niet alleen de albumtitel maar staat eigenlijk meteen voor de hele seksuele psychoanalyse, die Costello (begeleid door een onbekende showband, The Shamrocks) in twaalf sublieme songs op toon heeft gezet. Waar vele hedendaagse songschrijvers zich ontpoppen als verloederde sleutelgatkijkers laat Costello zich als een realist in de moderne liefde kennen, al is hij een mislukkeling, een ‘beautiful loser’. Zijn hartsaangelegenheden lossen zich niet op in stereotiep geweeklaag, maar spatten uiteen in bijna masochistische vertellingen: ‘Oh it’s so funny to be seeing you after so long girl / and with the way you look I can understand you were not impressed / I heard that you let that little friend of mine take off your party dress’, zingt hij in Alison. Melodrama’s, verpakt in vaak schitterende korte songs, via het Ronettes-achtige No Dancing en het jumpende r&b geluid van Sneaky Feelings naar de rockabilly van Mystery Dance, waarin Elvis de eerste, falende poging tot seks met een meisje bezingt. Na zo’n stormachtig debuutalbum vraag je je wel af hoe dat op een eventuele tweede lp moet gaan. Tot dan zeg ik: Elvis Is King! PAUL EVERS

THIS YEAR’S MODEL

(OOR 7, 5 april 1978)

Binnen een jaar na het debuut is het fenomeen een feit. Costello’s tweede opent paginagroot de albumrubriek, onder de kop ‘De Singlekampioen’

In tegenstelling tot vorig jaar heeft Elvis nu de beschikking over een eigen band, The Attractions, met wie hij voor de opnamen voor This Year’s Model al geruime tijd rond had getoerd. Hun ritmesectie zorgt voor een zeer solide basis, die op de zo langzamerhand al berucht geworden Lowe-manier is opgenomen: zeer prominent en kei en keihard. De versiering is uiterst spaarzaam, maar o zo inventief ingekleurd. Centraal daarin staat het merkwaardige geluid van het orgeltje van Steve Nieve, dat soms wat nerveuzig om de melodielijn heen cirkelt (op de single (I Don’t Want To Go To) Chelsea onder meer). En dan Elvis’ zang, die er sinds vorig jaar ook nog aanmerkelijk op vooruit is gegaan. Niet dat hij een plezierige stem heeft – hij kotst zijn teksten er zo’n beetje uit – maar het is ook niet zo dat hij erg plezierige dingen te vertellen heeft. In Night Rally de dreigende afsluiter van de plaat, waarschuwt hij bijvoorbeeld zeer indringend voor het gevaat van onderschatting van fascistische bewegingen als het National Front. (‘You think they’re so dumb, you think they’re so funny. Until they’ve got you running to their night rallies’). En ook de onplezierige kanten aan de seks worden weer onder de loep genomen. Maar alle fraaie teksten ten spijt, het is toch vooral de muziek die het hem doet. Alle twaalf nummers kunnen zo als A-kant van een single fungeren en een fantastische hit worden. En is dat niet het grootste compliment dat je een popmuzikant kan geven? MARTIJN STOFFER

ARMED FORCES

(OOR 1, 10 januari 1979)

‘Groeten Uit La Courtine’ staat er, verwijzend naar Rijk de Gooijers soldatenlied, boven de openingsrecensie – wederom nog geen jaar na z’n voorganger.

Armed Forces is weer helemaal af; weliswaar niet zo’n stap vooruit als This Year’s Model ten opzichte van My Aim Is True, maar wel een consolidatie van het hoge peil. De titel Armed Forces refereert aan drie centrale nummers op de plaat, die alle het leger of andere militante organisaties belichten. Zo haalt Costello in Senior Service zeer venijnig uit naar de marine en laat hij in het macabere Goon Squad een jongeman in een brief aan zijn ouders opscheppen over zijn vorderingen bij een moordbrigade (‘They want you to come out to play you’d better say goodbye’). En op al die snobs die, voor ze Armed Forces gehoord hadden al wisten dat ze deze plaat niet goed zouden vinden, omdat die Costello nu maar eens passé moest zijn, sturen we gewoon Oliver’s Army af. Verleidelijk vermomd als lieftallige Abba-meisjes laten deze huurlingen, mits er maar met klinkende munt betaald wordt, niets van de vijand heel, of die zich nu in Nederland, Palestina of Zuid Afrika bevindt (‘If you’re out of luck or out of work, we could send you to Johannesburg’). Wat het geluid van de plaat betreft: dat verschilt niet veel van dat van This Year’s Model. Dus een nadrukkelijk aanwezige Costello en de strak, karig en perfect begeleidende Attractions, bij wie Steve Nieve weer opvalt met zijn opvallende en functionele Farfisa-orgeltje. En gelukkig doet Costello zijn naam van ‘Intro-Koning’ ook weer alle eer aan. MARTIJN STOFFER

GET HAPPY!!

(OOR 4, 27 februari 1980)

Costello’s vierde mag dan zijn opgenomen in de Hilversumse Wisseloord Studio, OOR’s naamloze recensent wordt er, ondanks de titel, allesbehalve gelukkig van.

Twintig nummers, het langste 3.36, het kortste 1.54, een simpele hoes met zestiger jaren-kleuren (Bijenkorf-oranje) en een simpele titel. Get Happy!! Word gelukkig!! Dat heb ik de laatste tijd net iets teveel gehoord. Here Jezus, de Bhagwan, het carnaval, er komt geen einde aan. Maar de !! geven al aan dat het hier sarcasme betreft en bovendien blijkt uit elk van de twintig songs dat Elvis het geluk ook nog niet heeft gevonden. Gelukkig maar. Want beter manisch depressief dan een bloemetjesgordijn, is mijn motto. Al met al een lange inleiding om maar zo lang mogelijk te verzwijgen, dat Elvis Costello, die ik, juist nu de algemene popjournalistieke opinie zich langzamerhand tegen hem begint te keren, graag onder de lauwerkransen had bedekt, een mediocere, middelmatige plaat heeft afgeleverd. Twintig nummers, waarvan acht goed tot behoorlijk (o.a. I Stand Accused, Riot Act, Downtime Is Over, New Amsterdam), maar geen enkel dat ook maar in de buurt van Olivers Army komt. Wel veel ideetjes, die echter niet of nauwelijks ver genoeg zijn uitgewerkt. Een monotone eerste kant en een wat frissere tweede kant die een eensluidende eindindruk achterlaten: van een verkrampte Costello, die van zichzelf en manager Jake Riviera maar door moet blijven gaan en schrijven en toeren. Muzikaal is het resultaat echter armoedig, daar heeft geen Nick Lowe aan kunnen helpen.

IMPERIAL BEDROOM

(OOR 14, 14 juli 1982)

Hoogzomer. Terwijl OOR’s literairste recensent droomt van gin-bitter lemon en ijs, houdt Costello’s zevende album hem binnenshuis.

Een gerijpt, afgewogen, gevarieerd geluid. Rijk. The Attractions switchen moeiteloos van rockband naar nachtclubcombo. Een geboren zanger is Costello niet, maar zijn groei is onmiskenbaar. Imperial Bedroom sist en spettert. Geen inzinkingen. Costello is meer dan een songschrijver in de Tin Pan Alley-traditie: een dichter, zonder de verveling en geslotenheid die poëzie kenmerkt. Een paar woorden volstaan om een wereld op te trekken: ‘What’s going on behind the green elevator door’. Imperial Bedroom wemelt van de woordspelingen, vondsten, dubbele budems en betekenissen. Taaldaden. Costello is een groot schrijver en vertrouwt dan ook geen letter: ‘Spare us the verbal gymnastics’. Maar hoe complex ook, het blijven popsongs: open, te doorgronden. Liefde is altijd Costello’s centrale thema geweest. Seks, geweld, (economische) macht. In die zin zijn ook deze vijftien songs politiek. Imperial Bedroom is afwisselend furieus, vol mededogen, vernietigend, mild. De gevoelens blijven altijd groter dan de woorden. De songs schuiven in elkaar, smelten tot een eenheid. Eén organisch geheel: alles heeft met alles te maken. Las de openings- en slotregel van de lp: ‘History repeats the old conceits, the glib replies, the same defeats / I’m just a little boy lost in a big man’s shirt’ en je houdt het perspectief van Imperial Bedroom tussen duim en wijsvinger. Costello: een romp met een te groot hart. Wenkbrauwen houden de ogen bijeen. Imperial Bedroom is een meesterwerk. A revolution of the mind, een kleine Grote Stap Voorwaarts. BART CHABOT

PUNCH THE CLOCK

(OOR 15, 30 juli 1983)

‘Muzikale fruitmand’, kopt de kaderrecensie van plaat nummer acht, boven een foto van Costello die eigenlijk nauwelijks reden heeft om zo mistroostig te kijken.

Zoals Pills And Soap van het alter ego The Imposter en Shipbuilding van Robert Wyatt reeds deden vermoeden, ligt het jongste album Punch The Clock, waarop beide singles in een nieuwe uitvoering terug te vinden zijn, in het verlengde van Imperial Bedroom. Producer Geoff Emerick is ingeruild voor Clive Anger en Alan Winstanley, het van Madness bekende koppel, wat heeft geleid tot een over de hele linie wat vetter geluid, dat paradoxaal genoeg de toegankelijkheid van de muziek heeft doen toenemen. De instrumentatie is eveneens voller, met name waar gebruik wordt gemaakt van blazers en achtergrondzangeressen. Verbeterd is ook de opbouw van het album, in die zin dat de uiteenlopende stijlen elkaar op een gevarieerdere en tegelijkertijd logischere wijze afwisselen. In tekstueel opzicht is Punch The Clock echter minder interessant dan zijn voorganger, al zijn Shipbuilding, Pills And Soap, The Invisible Man en Everyday I Write The Book niet alleen muzikaal gezien de absolute hoogtepunten. Al met al valt er slechts zijdelings iets aan te merken op dit achtste album van Costello, maar eerlijkheidshalve moet mij van het hart dat zijn vroegste platen mij om de een of andere onverklaarbare reden aanzienlijk méér aanspreken. Evenals Imperial Bedroom is Punch The Clock als een aanlokkelijke muzikale fruitmand, waarbij ik desalniettemin niet in de verleiding kom mij er te goed aan te doen. Het verstand spreekt, maar het hart zwijgt. GEERT HENDERICKX

KING OF AMERICA

(OOR 4, 22 februari 1986)

Drie jaar later staat de pet iets vrolijker – sterker nog, het is een enorme kroon van waaronder Costello ons plagerig aanloert, met baard en al.

De naam ‘Elvis Costello’ is ver te zoeken en ook vaste begeleidingsgroep The Attractions is zowat van het toneel verdwenen om plaats te maken voor The Confederates, een stel gerenommeerde Amerikaanse sessiemuzikanten onder wie James Burton, Jerry Scheff, Ron Tutt en Jim Keltner. Daarnaast is er een belangrijke rol weggelegd voor T-Bone Burnett. De boomlange Texaan is de invloedrijke man achter de schermen, want diens open wijze van produceren en arrangeren doet zich op King Of America onmiskenbaar gelden. Net als Nick Lowe dat in het beginstadium van Costello’s carrière placht te doen, houdt Burnett de zaak spontaan en spaarzaam, zonder evenwel de aandacht voor het detail helemaal te verliezen. Met een minimum aan middelen, te weten een beperkt aantal veelal akoestische instrumenten, wordt er een kristalhelder klankbeeld opgebouwd, dat stijlkenmerken verraadt uit met name de country & western. Het album is verschoond van pompeuze arrangementen, waardoor Costello zich als zanger niet langer hoeft te forceren. Van de vijftien stukken op King Of America, mag ruim de helft zonder meer geslaagd heten en daarvan verdienen Our Little Angel, Indoor Fireworks, American Without Tears, Jack Of All Parades en Suit Of Lights bovendien het predikaat cum laude. Met dien verstande dat dit mijn persoonlijke mening is, want King Of America lijkt mij typisch zo’n plaat die onder Costello-adepten de nodige verdeeldheid zal zaaien. Maar wie zichzelf tot koning van nota bene Amerika troont, vraagt daar natuurlijk ook om. GEERT HENDERICKX

BLOOD AND CHOCOLATE

(OOR 20, 4 oktober 1986)

Amper zeven maanden na zijn ontsnapping aan de Costello-mythe is Elvis op zijn elfde plaat weer gewoon Elvis. Hoewel…

Nu alle frustraties voorlopig de wereld uit zijn geholpen trekt Elvis opnieuw ouderwets van leer met een lp in de beste Costello-traditie. Het spelletje met de namen even volhoudend noemt hij zich nu spottend Napoleon Dynamite, vrij naar een schilderij van Eamonn Singer, dat de hoes van Blood & Chocolate siert. Er valt een hoop te genieten op deze nieuwe plaat. Costello trekt ouderwets van leer, een ferme sneer hier, een meedogenloze punchline daar. De teksten zijn meer dan alleen clever-clever en zitten vol gevleugelde regeltjes als ‘you make him sound like frozen food’, ‘Death wears a big hat ‘cause he’s a big bloke’, ‘I woke up and one of us was crying’ en ‘My tears were never enough to keep that girl alive’. Gekwelde love songs, naast scherpe observaties van mensen en de manier waarop zij hun leven inrichten. I Want You is een van Costello’s absolute topsongs, een trefzekere eenheid van vorm en inhoud, tekst en muziek. Costello levert met ieder nummer het bewijs dat popsongs niet altijd leeghoofdig of clichématig hoeven te zijn. De meeste songs op Blood & Chocolate kunnen de vergelijking met zijn beste vroegere werk beslist doorstaan. Is het niet bijzonder ironisch dat hij juist in het jaar waarin hij eerst afscheid heeft genomen van de Costello-mythe tegelijk een van de beste Costello-platen uitbrengt? Het is nog lang niet over voor Elvis. Hij begint pas. BERT VAN DE KAMP

SPIKE

(OOR 3, 11 februari 1989)

‘God’s eigen hofnar’ heeft opnieuw een – welverdiende –  kroon boven het hoofd: het samen met Paul McCartney geschreven Veronica wordt zijn grootste Amerikaanse hit.

Ondanks de inbreng van traditionele Ierse muzikanten en The Dirty Dozen Brass Band uit New Orleans, valt Spike veel minder uit de toon bij de rest van het oeuvre van Elvis Costello, dan je zou verwachten. Grofweg is Spike een combinatie van de scherpe energie van Blood & Chocolate en de meer uitgewogen momenten van King Of America. Costello bevestigt nogmaals dat hij een van de meest inventieve liedjes- (en tekst)schrijvers van nu is. Het met Paul McCartney geschreven Veronica is een voorbeeldige Beatlesong en tegelijk een wrang beeld van een gebroken weduwe. De boodschap van het hilarische God’s Comic lijkt op die van Randy Newmans God’s Song: als er al een God bestaat, dan lacht hij zich te barsten om de mensheid. We komen hier het Opperwezen zelf tegen, liggend op een waterbed, cola drinkend en luisterend naar Andrew Lloyd Webbers Requiem. De plaat wordt waardig uitgeluid met de Ierse Ballade Any Kings Shilling, over de precaire vriendschap tussen een Ierse vrijheidstrijder en een Britse soldaat. Waarop de cirkel wordt gesloten met Last Boat Leaving, waarin er voor de hoofdpersoon geen andere keus meer overblijft dan ‘this stinking town’ voorgoed te verlaten. Een licht pathetisch, maar bewogen universeel slot van een plaat waarop Costello als Gods eigen hofnar de nodige spijkers door onze koppen slaat. Dat zit niet altijd even gemakkelijk, maar in een tijd waarin het don’t worry, be happy (zelfs op ieder N.S. station) onontkoombaar lijkt, is het goed dat er ook nog zo’n priemende hofnar bestaat. HERMAN VAN DER HORST

LOOK NOW

(OOR 10, oktober 2018)

De lappenmand lag op de loer, maar op zijn eerste album in vijf jaar tijd geven Costello en zijn Imposters een geruststellend teken van leven.

Look Now is Costello’s eerste album in vijf jaar. En waar hij jarenlang voornamelijk samenwerkte met grootheden als Allen Toussaint, Bill Frisell en Anne Sofie von Otter is de begeleiding nu weer in handen van The Imposters, met daarin zijn oude maatjes Steve Nieve (piano) en Pete Thomas (drums) uit The Attractions. Look Now heeft de brede opzet van platen als Imperial Bedroom en Spike, wat inhoudt dat er een veelheid aan stijlen en klankkleuren voorbijkomt. Een aantal songs is al wat ouder. Het fraaie Unwanted Number was in 1996 al te horen in de film Grace Of My Heart. Burnt Sugar Is So Bitter schreef hij eind jaren negentig met Carole King. Ook inhoudelijk trekt Costello lijnen uit het verleden door. Openingsnummer Under Lime vertelt hoe het verder is gegaan met Jimmie Standing In The Rain van National Ransom. In drie nummers werkt hij opnieuw samen met de inmiddels 90-jarige Burt Bacharach. Daarvan is met name Don’t Look Now een mooie aanvulling op hun oeuvre. Andere positief opvallende songs zijn Stripping Paper en de bossanova Why Won’t Heaven Help Me, een van de weinige songs waarin de Zuid-Amerikaanse achtergrond van producer Sebastian Krys de ruimte krijgt. Diezelfde Krys is er echter wel in geslaagd de ideeënstroom van Elvis Costello zo te stroomlijnen dat Look Now ondanks de complexe opzet een van zijn toegankelijker platen is. JAN VAN DER PLAS

Deel dit artikel

Meest gelezen artikelen

Eefje de Visser: 'In dit crisisjaar heb ik geluk gehad'
interview

Eefje de Visser: ‘In dit crisisjaar heb ik geluk gehad’

Eefje de Visser maakt de platen van het jaar. We belden de 34-jarige zangeres in haar woonplaats Gent (België) om ...
Op vinyljacht met Soulwax in Los Angeles (1999)
het poparchief

Op vinyljacht met Soulwax in Los Angeles (1999)

Uit de archieven: In 1999 zocht OOR's Erik van den Berg de hipste Belgen van dat moment op in Los ...
Mode is leven, zo toont Corbijn aan in nieuw fotoboek
boek

Mode is leven, zo toont Corbijn aan in nieuw fotoboek

Je hoeft niet van muziek te houden om de muziekfoto’s van Anton Corbijn op waarde te schatten. Je hoeft ook ...

God’s hofnar: de 10 beste albums van Elvis Costello | OOR