concert

Pinkpop dag 2 met o.a. The Cure, Armin van Buuren, Lenny Kravitz

Pinkpop viert dit weekend z’n vijftigste editie en OOR is van de partij. Drie dagen lang nemen we je mee over het terrein in Landgraaf, langs de highlights, de bijzonderheden en overige feestelijkheden. Het jubileum kende gisteren een bomvolle en topzware tweede dag; eindelijk tijd voor het echte partijtje.

We zagen het Gers Pardoel doen, en vorig jaar nog Ronnie Flex. Kraantje Pappie past op de vroege middag naadloos in het rijtje vaderlandse hiphophelden die de Mainstage in één handomdraai omtoveren tot een swingende, meezingende massa. Ochtendgymnastiek, zij het voor de jeugd, want vooral het jonge contingent bevolkt het veld voor het hoofdpodium. Meteen valt op dat het een flinke slag drukker is dan gisteren, al blijft de bezetting met zo’n 53.000 zielen goed te behappen. In één tel krijgt Kraan de handen tot voorbij de toren in de lucht – iets wat de headliner van gisteren anderhalf uur noeste arbeid kostte. En met ‘niemand wil leven als een ouwe lul die niet genoten heeft’ vat Kraantje Pappie de gedachtegang van eenieder die dit weekend de poorten passeert ook nog eens samen: een les voor de jonkies, een credo voor de rest.

Het feest is begonnen, zoveel is duidelijk. Voordat de galavoorstelling met gelouterde Pinkpophelden losbarst is er eerst echter een blokje met namen die er pakweg tien jaar geleden nogal toe deden, maar anno 2019 echt niet meer. Zo staat Blood Red Shoes, met zichtbare, frisse tegenzin, in een halfvolle tent en blijken Laura-Mary Carter (voor de duurzaamheid in ’t groen gestoken) en drummer Steven Ansell niet meer zo onstuimig als de vorige twee keer dat ze hier aantraden. De nummers van laatste plaat Get Tragic worden zelfs met extra muzikanten uitgevoerd, waarmee het powerduo z’n grootste troef en aloude gimmick heeft ingeruild voor, tja, iets wat ieder ander bandje ook al heeft. Mumford is dus niet de enige die eigenheid inruilt voor het grote nét-niet.

Ook bij The Kooks is de aardigheid er onderhand wel af. Sterker nog: waarom mag Luke Pritchard, een jaar nadat niemand rouwde om hun afzegging, alsnog herkansen op Main? Laatste album Let’s Go Sunshine liet geen denderende indruk achter op het Nederlandse poppubliek en ook de zon laat het afweten als de band uit Brighton z’n olijke indiesongs over de hoofden ziet wegwaaien. Geen Shine ook, wel Always Where I Need To Be, She Moves In Her Own Way, Ooh La en Naïve – en over dat laatste gesproken: beeldt de uitgelaten Pritchard zich soms in dat hij voor een dolenthousiast veld staat? Misschien zit er nog wel een pilletje in van vorig jaar. Toen waren ze ziek, dit jaar zijn ze beter, maar daar is ook alles mee gezegd.

Van de lichting 2009 doet White Lies dan nog de beste zaken. In een knalgeel (!) shirt kijkt Harry McVeigh opgetogen uit over een vol veld voor de IBA Parkstad Stage terwijl Time To Give over de duizenden koppen rolt, direct gevolgd door prijsnummer en visitekaartje Farewell To The Fairground. Donkerder is niet per se beter, de wijsheid komt met de jaren en zo heeft White Lies wat licht toegelaten in het karakteristieke zware gemoed. Want een lesje ‘vrede hebben met je leven’ kun je aan de Britse groep tegenwoordig wel overlaten. Geen dikke koeienletters op de affiche, geen mainstage, maar ‘gewoon’ tussen alle anderen. Dat had je ze toch niet gegeven, een jaar of tien geleden, toen het debuut de hitlijst bestormde. Een visioen van Pinkpop afsluiten was destijds helemaal zo gek nog niet. Dat gaat nooit meer gebeuren, de vroege zondagmiddag is anno 2019 het hoogst haalbare, maar onvrede? Frustratie? Niks van dat alles. McVeigh heeft zich zichtbaar neergelegd bij de positie waarin zijn band verkeert, in de middenmoot van de pop-eredivisie. In ieder nummer staat hij wel een keer met zijn beide handen in de lucht en een grijns op zijn gezicht het publiek toe te juichen. En dat terwijl zijn band dapper doorploegt. Op Pinkpop gaan de handen vooral de lucht in voor oud werk, dat steevast direct massaal herkend wordt, maar de krenten in de pap zijn vandaag de nieuwe songs: Tokyo, met z’n meeslepende refrein, en vooral het lange, uit twee delen bestaande Time To Give maken indruk. ‘Eternity’, zingt Harry in dat weemoedige lied over problemen in een relatie, ‘I don’t quit when the bets are down’. En gelijk heeft ‘ie.

Het is zondag in het zuiden en Rowwen Hèze gaat er vandaag met de publieksprijs vandoor. In 1992 veroorzaakten Jack Poels en kompanen (uit het noorden van de provincie Limburg, maar daarmee nog steeds lokale helden) een waar slagveld en 27 jaar later is het tafereel niet veel anders. Het veld voor het tweede podium puilt werkelijk uit, tientallen vlaggen steken de lucht in, afgewisseld door bekers bier die van voor naar achter, van links naar rechts rondvliegen. En hoewel de mannen anno 2019 zelf wat fijnbesnaarder zijn (zie hun stemmige nieuwe album Voorwaartsch, waarvan de titelsong tevens de set opent), blijven de uitbarstingen aanzetten tot een volksfeest – de rustpunten (Auto, Vliegtuug, De Neus Umhoeg) overigens ook. Dansen. Vergeate. Bestel Mar. En natuurlijk Limburg: uren later galmt het refrein nog over het terrein. Het cadeau van het festival aan de Limburgers, die al jaren trouw hun festival koesteren, pakt niet alleen goed uit maar wordt ook goed uitgepakt, getuige de immense drukte. Waarom The Kooks wel op de hoogste trede, en deze publiekslievelingen niet? Net als bij de Earring gisteren niemand die het begrijpt. Wat had het een geweldig gezicht geweest, die bierdouche die nu hier plaatsvindt, voor het grote podium van Pinkpop, onder toeziend oog van al die camera’s. En misschien was Frank Lammers, in de persoon van Ferry Bouman uit Undercover, dan wat zachter terecht gekomen na zijn opzienbarende maar faliekant mislukte stagedive. Auw, man!

Nog zo’n band die je in één adem met Pinkpop noemt: Krezip. Piepjong waren de Tilburgers toen ze in 2000 hier voor het eerst aan het grote succes mogen ruiken, vandaag stappen de dames en heren gracieus en gereünieerd het hoofdpodium op. ‘We zijn weer thuis’, roept Jacqueline Govaert uitgelaten – ze zal zo tussen ieder nummer wel even aan de bijzondere omstandigheden memoreren. Ondertussen draait de band een gloedvolle greatest hits-set af, die geen seconde doet vermoeden dat Krezip er tien jaar tussenuit geweest is. Nieuwetje Lost Without You valt als een zonnetje tussen de ‘oude knarretjes’, zoals Govaert de hits en publieksfavorieten van weleer gekscherend noemt. En over ouder worden gesproken: de laatste keer in 2009 presenteerde Jacqueline trots haar pasgeboren zoon aan het veld, in een soort Lion King-moment. De oudste Govaert-telg voert vandaag een legertje van tien Krezip-kids aan, al is het de zangeres zelf die zich uitleeft als een jarige op een zwemfeestje. Anders dan tien jaar geleden opent Sweet Goodbyes nu wellicht de deur naar een nieuw hoofdstuk in plaats van dat ie iets afsluit. En zo lang Krezip zo blijft knallen én stralen als vandaag, kan de reünie ons niet lang genoeg duren.

In de wetenschap dat Coup De Grâce, de derde soloplaat van Miles Kane, in Nederland de afgelopen maanden weinig teweegbracht komt de zanger zondag aan in dezelfde tent op Pinkpop waar hij een paar jaar geleden ook al eens stond. Op herhaling? Nee, want dat is simpelweg niet hoe Kane op het podium staat. Ook nu weer stort hij zich vol overgave op het veroveren van de Pinkpopgangers, die er aanvankelijk nogal ingedut bijstaan. De boel trekt bij als het geluid beter wordt in de tent en Kane toe raakt aan zijn beste liedjes: Rearrange, Come Closer, Don’t Forget Who You Are. Furieus gespeelde oorwurmen van jewelste zijn het. Schreef hij er maar meer van, want net te vaak blijven de liedjes van Kane steken in de middelmaat.

Lenny is laat, want hij moest helemaal uit Emmen komen, maar als deze zoveelste blast from the past na zevenen de mainstage betreedt (eerste nummer Fly Away zingt hij op een verhoging achter de drums) heeft de vijftigste Pinkpop dan eindelijk wat onvervalste superstar quality op de planken staan. Het is zijn vijfde keer in Landgraaf en toeval of niet, hij stond altijd als één na laatste op het hoofdpodium. Rekenen we de nachtelijke dj-set van Armin van Buuren even als bonus, dan wordt de traditie ook dit keer niet doorbroken. Maar z’n tijdloosheid is Lenny Kravitz’ grootste troef: z’n leeftijd laat zich niet raden – daar heeft hij die donkerrode rastahat en zonnebril niet eens voor nodig. En op de eigentijdse klanken in de twee nieuwe songs van Raise Vibration (Low en Who Really Are The Monsters?) na, zijn het de vruchten van vijftig jaar pophistorie die Lenny achteloos uit de ether plukt. Soepel wiegt hij door z’n oeuvre, op het gevaar van automatische piloot af. Of zou het door z’n eigen vakmanschap en de steun van doorgewinterde basgigant Gail Ann Dorsey (o.a. Bowie) komen dat Kravitz’ uitgekiende mix van pop, soul en rock & roll zo vanzelfsprekend over de hoofden rolt? Zelf lijkt Lenny de tijd ondertussen te zijn vergeten, ironisch genoeg. Net als we bij Are You Gonna Go My Way terugdenken aan die legendarische Pinkpop in ’93, waar Lenny in roze pak gestoken het veld meevoerde in een lange singalong tijdens Let Love Rule, kijken we op de klok, die al acht uur heeft geluid. En omdat ie zelf te laat begon, mag Kravitz de klus vandaag niet klaren zoals hij ’t wil: geen Let Love Rule op de vijftigste Pinkpop. Tijdloosheid kent kennelijk vele gradaties.

En dan staan we ineens bij Die Antwoord, waar let porn rule de les lijkt. Bubbelende dansers en danseressen. Stijve piemels met cartooneske kindergezichtjes op de schermen. Een volgetatoeëerde hooligan die ‘poes’ blaft. En een kruising tussen Chucky en Barbie die met een overstuurd piepstemmetje ‘Pinkelpop’ toe tjilpt. De freakshow uit Kaapstad rond Ninja en Yo-Landi Visser teast z’n eigen ondergang al een tijdje (The House Of Zef, releasedatum onbekend doch aanstaand, zou hun laatste zijn), maar op het podium heeft het centrale duo nog altijd pret voor tien. ‘Verstaan jullie Afrikaans?’ roept Ninja, als Fatty Boom Boom op Landgraaf wordt afgevuurd. Wie wat aangename verpozing zoekt tussen Kravitz en Cure verstaat ‘m zeker, maar begrijpt er alleen geen snars van. Gelukkig staat Die Antwoord hier niet om zieltjes te winnen, Pinkpop moet vooral in het kruis worden getast en wie dat niet zint, die loopt maar door. Ondertussen springt Ninja veelvuldig de voorste rijen in – kennelijk moet je geen boef spelen om een succesvolle stagedive te maken, je moet er een zíjn – terwijl Yo-Landi als evil twin van het Pinkpopmeisje kirrend en giechelend over de metershoge dj-booth huppelt. Na een lawine van geweld komen de twee na een klein uurtje als twee sneeuwpopjes de catwalk op: I Don’t Care (As Long As You With Me) is de mierzoete en a-typisch zachtaardige slotboodschap, gevolgd door Enter The Ninja, dat als welgemikt moneyshot recht in het gezicht belandt. Yo-Landi trekt Ninja’s trainingsbroek nog even naar beneden en giechelt het uit. ‘Be happy’, schalt het nog eenmaal in heliumklanken over het veld. In je broekje zeker. Al prediken ze uiteindelijk dezelfde liefde als Lenny Kravitz. Nee, Die Antwoord is niet voor de poes.

Mark Ronson tapt op datzelfde moment uit een heel ander vaatje. Reikhalzend kijken we uit naar de nieuwe plaat van superster-producer, die naar verluidt helemaal gaat over liefdesverdriet en relatieproblemen. Als iemand daar bitterzoete pop voor de hitlijst van kan produceren, is hij het wel, de man die recent juwelen van popdeunen maakte als Somebody To Love Me (met Boy George) en Nothing Breaks Like A Heart (met Miley Cyrus). Maar ja, zingen kan hij zelf niet, en zulke beroemdheden meenemen in de toerbus blijkt geen optie. Wat te doen? Ronson besluit te dj’en, weliswaar in een peperduur decor met zijn nieuwe plaat als thema, maar toch. Een dj-set dus, en lang niet alles is eigen werk. Erg? Welnee. De tent staat helemaal op z’n kop door hiphopklassiekers en fragmenten van hits van Ronson zelf. Meermaals horen we Amy Winehouse, terwijl Uptown Funk (zijn grootste hit) ook na afloop nog nagalmt. Een verplicht nummer? In de verste verte niet. Met overslaande stem verklaart Ronson dit ‘optreden’ tot zijn beste ooit. Hij kijkt er intens gelukkig bij – zo te zien meent Ronson het nog ook.

We schrijven 1986, Pinkpop is op sterven na dood. Jan Smeets wil er zelfs de brui aan geven. Tot het lukt een hard groeiend Engels bandje te boeken, The Cure. Opeens rinkelen de kassa’s wel en vliegen de tickets de deur uit. Pinkpop blijft bestaan. Al die jaren later weten we het hier allemaal: The Cure redde Pinkpop, een verhaal dat je vandaag dan ook vaak hoort vertellen op het festivalterrein. Want de redders van Pinkpop keren weer eens terug, al weten we natuurlijk ook wel dat de band daar zelf op het podium ongetwijfeld geen woord aan vuil maakt. Want The Cure, de band van Robert Smith, is notoir ingetogen en speelt het liefst in het donker – zowel qua tijdstip als decor. Maar dat blijkt nu, gelukkig, niet het geval. Als knieval naar de immense festivals waar de band deze zomer op speelt is er een indrukwekkende lichtshow, compleet met schitterende visuals, die zo’n normaal gezien tikkie droog Cure-optreden opeens een hele nieuwe dimensie geven. Neem A Forest, ergens halverwege: het podium baadt opeens in het groene licht, en overal om ons heen schieten mobiele telefoons de lucht in om dat tafereel vast te leggen en ongetwijfeld te delen.

Het geeft The Cure mooi de kans om ook een jongere generatie aan zich te binden, want dat is wat er gebeurt: niet alleen oudjes, maar ook jonkies gaan na een wat aarzelend begin op in de bezwerende krap dertig liedjes die de band speelt. Haarscherp is het geluid, direct al in de opener Shake Dog Shake, ook het nummer waar The Cure destijds het bijna failliete Pinkpop mee opende. Maar ook in zo’n volslagen overrompelend nummer als Fascination Street uit 1989. Een haast grimmig, traag opgebouwd lied dat je als een vuist raakt, iedere keer weer. Zeker als het zo goed gespeeld wordt als nu, door een band van zestigers die dit makkelijk aankunnen. ‘And I’m begging to drag you down with me, to kick the last nail in’, zingt Smith in dat nummer. Nee, die zieleroerselen van Smith zijn ook op het verjaardagsfeestje dat Pinkpop 2019 is bepaald niet luchtig. Daar lach en zwaai je niet bij, als je zoiets moet zingen, en dat doet Smith dan ook niet. Op een keer na, als hij een loopje maakt naar links, volslagen ongemakkelijk met het feit dat hij wordt toegejuicht. Een klein zwaaitje is het, uit de heup, volstrekt verlegen en sociaal onhandig. In al zijn lulligheid is het de kers op de taart: dit optreden, 29 nummers lang, van hits als Pictures Of You tot moeilijker werk als One Hundred Years, is één grote zegetocht.

En als The Cure al de kers op de taart is, mag Armin van Buuren zich de snoepzak aan het eind van het partijtje noemen. De Nederlandse top-dj trakteert en maakt het feest compleet. Zonder z’n trance-basis uit het oog te verliezen vliegt hij even makkelijk door een halve eeuw pophistorie als Lenny Kravitz een paar uur eerder, met alleen een totaal andere vorm en aanpak. Veelbesproken was zijn komst zeker: EDM op Pinkpop, kan dat wel? Ach, allemaal blah, blah, blah. Martin Garrix bewees twee jaar geleden nog dat vooral het jonge segment er hard op gaat. En over die jongelui gesproken: zijn die nog wel op het terrein, na een hele avond ouwelullenmuziek? En blijven diezelfde ouwe lullen in hun Cure-shirts (en de dames die zich al voorbereiden op de komst van Kravitz in hun dromen) wel hangen voor deze nachtelijke uitsmijter? Jazeker, luidt het antwoord. En hoe!

Een bomvol veld ziet Armin van Buuren twintig minuten na middernacht dan eindelijk z’n A-vormige booth betreden en vrijwel meteen eerste gast David Lee Roth tevoorschijn toveren. De Van Halen-zanger betrad in 1980 het podium in Geleen in Maja de Bij-outfit met een pleister op z’n gebroken neus, vanavond heeft ie een blauw glitterjasje aan en een zonnebril op. En dat ie niet bepaald de sterren van de hemel zingt en springt deert weinig: Armins gevoel voor Pinkpophistorie overtreft de vage flarden van Jump die boven de dreun uitkomen. De dj laat overigens niet alleen een verloren zoon terugkeren, hij gunt een andere grote zanger z’n Pinkpopdebuut: zo staat Marco Borsato ineens voor onze neus, om samen met Davina Michelle Hoe Het Danst te zingen. Terwijl de thuisblijvers op social media losgaan, laat Pinkpop gewoon zien hoe het danst. Al snappen we de zuurpruimen wel: niets vervelender dan toekijken hoe een feestje waar jij niet voor bent uitgenodigd uit de hand loopt.

En zo eindigt tegen tweeën de langste Pinkpopdag ooit, die de prestaties van gisteren nagenoeg doet vergeten en de lat torenhoog legt voor de uitsmijter van morgen. Feestnummers, in poëtische volgorde: Lenny, Krezip, The Cure en Van Buuren – met achter het 18+ gordijntje twee piemels omhoog voor Die Antwoord. En kijken we, diep in de nacht, naar het laatste weerbericht, dan blijft het verjaardagspartijtje ook op dag drie in stand: zwemspullen mee, je wordt thuisgebracht…

Door Willem Bemboom & Anton Slotboom

Fotografie: Paul Barendregt

Gezien: 9 juni 2019, Pinkpop, Landgraaf

Deel dit artikel

Meest gelezen artikelen

Genadeloos Tool neemt de tijd in de Ziggo Dome
concert
Tool

Genadeloos Tool neemt de tijd in de Ziggo Dome

Tool-boegbeeld Maynard James Keenan was de afgelopen jaren relatief vaak op de Nederlandse podia te bewonderen. Twee keer op Pinkpop, ...
Fatal Flowers live: De epiloog van het jongensboek
concert
The Fatal Flowers

Fatal Flowers live: De epiloog van het jongensboek

De reünietour van The Fatal Flowers is in volle gang, met nog een week te gaan voor de twee afscheidsconcerten ...
Loose Ends Festival
concert
Fontaines D.C.

Loose Ends Festival

Op voorhand vonden we Loose Ends al de leukste nieuwkomer aan het festivalfront en met - misschien wel iets te ...

Recensie: Pinkpop dag 2 met o.a. The Cure, Armin van Buuren, Lenny Kravitz (concert) | OOR